Home > E-Zine > Schuldbriefing nr. 45
Klein lettertype instellen Normaal lettertype instellen Groot lettertype instellen
 

Schuldbriefing nr. 45

Wettelijke rentevoet zakt verder in 2017, beslaggrenzen en deurwaarderstarieven stijgen

Naast goede voornemens brengt het nieuwe jaar traditiegetrouw ook de indexatie van heel wat bedragen en tarieven met zich mee. Enkele belangrijke nieuwe bedragen/tarieven voor schuldbemiddelaars zijn:

Wettelijke rentevoet: voor het jaar 2017 zakt de wettelijke rentevoet verder naar 2,00 % (bron: Algemene Administratie van de Thesaurie van de federale overheidsdienst Financiën).

Bescherming tegen beslag en overdracht: het volledig beschermde gedeelte van de inkomsten stijgt in 2017 naar 1.085 euro (2016: 1.073 euro). Boven 1.407 euro zijn de inkomsten in 2017 volledig beslagbaar (2016: 1.391 euro). De beslagschrijven voor de tussenliggende bedragen kan je hier (pdf, 205 KB) downloaden. De bijkomende bescherming per kind ten laste stijgt dit jaar naar 67 euro (2016: 66 euro) (bron: Koninklijk besluit van 11 december 2016 “tot uitvoering van artikel 1409, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek”, Belgisch Staatsblad van 16 december 2016).

Inkomensgrenzen voor een “kind ten laste” (i.h.k.v. de bescherming tegen beslag en overdracht): vanaf 1 januari 2017 gelden volgende inkomstengrenzen (bron: bericht in het Belgisch Staatsblad van 16 december 2016):
→ 3.076 euro indien de ouder samenwonend is (in 2016: 3.042 euro);
→ 4.443 euro indien de ouder alleenstaand is (in 2016: 4.394 euro);
→ 5.633 euro indien het  kind het statuut van gehandicapte heeft (in 2016: 5.571 euro).

Gerechtsdeurwaarderstarieven (voor gerechtelijke invorderingen): de tarieven die gerechtsdeurwaarders mogen aanrekenen in het kader van een gerechtelijke invordering (K.B. van 30 november 1976) stijgen in 2017 alweer. Een aanmaning met dreiging kost dit jaar 14,93 euro (voor invorderingen tot 124,99 euro) of 17,66 euro (voor invorderingen vanaf 125 euro). Het inningsrecht bedraagt in 2017 minimaal 11,94 euro en maximaal 118,40 euro. Voor afbetalingen aan een gerechtsdeurwaarder betaal je in 2017:
→ afbetalingen tot 24,99 euro: 2,46 euro;
→ afbetalingen tussen 25 en 124,99 euro: 4,12 euro;
→ afbetalingen tussen 125 en 249,99 euro: 6,80 euro;
→ afbetalingen tussen 250 tot 494,99 euro: 11,94 euro;
→ afbetalingen tussen 495 tot 744,99 euro: 25,53 euro;
→ fbetalingen boven 745 euro: 33,83 euro.
Lees hier (pdf, 80 KB) alle geïndexeerde tarieven van de “akten verricht door de gerechtsdeurwaarders in burgerlijke en handelszaken” (bron: Belgisch Staatsblad van 28 december 2016).

Toepassingsgebied wetgeving consumentenkrediet - uitzondering voor sommige kredietkaarten: het bedrag voorzien in artikel VII. 3, § 2, 3° van het Wetboek van economisch recht (het vroegere art. 3, §1, 3° van de Wet Consumentenkrediet) bedroeg in 2016 4,50 euro. Het geïndexeerde bedrag dat geldt in 2017 werd op heden nog niet gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

Maximale jaarlijkse kostenpercentages (JKP’s) voor consumentenkredieten vanaf 1 december 2016: deze blijven ongewijzigd t.o.v. de maximale JKP's die van toepassing waren sinds 1 juni 2016  Download hier (pdf, 81 KB) de tabel met alle maximale JKP’s vanaf 1 december 2016 (bron: bericht in het Belgisch Staatsblad van 19 oktober 2016).

Maximale prijs basis-bankdienst: de maximale prijs voor de basis-bankdienst stijgt vanaf 1 januari 2017 naar 15,44 euro (in 2016: 15,17 euro) (bron: Belgisch Staatsblad van 13 december 2016).


Nieuwe regels rond hypothecair krediet traden in werking op 1 april 2017

De wet van 22 april 2016houdende wijziging en invoeging van bepalingen inzake consumentenkrediet en hypothecair krediet in verschillende boeken van het Wetboek van economisch rechtwijzigde de regels rond het hypothecair krediet op een aantal belangrijke punten.

Zo werd het toepassingsgebied van deze wetgeving uitgebreid: op heden vallen zowel de hypothecaire kredieten met een “onroerende bestemming” als de hypothecaire kredieten met een “roerende bestemming” onder de regels betreffende het hypothecair krediet.

Op inhoudelijk vlak werden een aantal nieuwe beschermingsregels ingevoerd naar analogie met de beschermingsregels die reeds gelden in het consumentenkrediet, o.m.

·         nieuwe reclameverboden

·         een precontractuele informatieverplichting (via het “ESIS”-formulier)

·         de verplichting om een “passende toelichting” te verschaffen aan de kandidaat-kredietnemer

·         een raadgevings-, onderzoeks- en voorzichtigheidsplicht bij de toekenning van kredieten

·         de verplichting in hoofde van kredietverstrekkers om zich op een eerlijke, billijke, transparante en professionele wijze te gedragen

·         de plafonnering van de maximale schadevergoeding in geval van laattijdige betaling

·        

De nieuwigheden traden in werking op contracten die vanaf 1 april 2017 werden of worden afgesloten en onder het verruimde toepassingsgebied van de wetgeving hypothecair krediet vallen.

Voordien afgesloten hypothecaire kredieten vallen in principe onder de oude wetgeving hypothecair krediet. Een aantal nieuwe regels is nochtans ook van toepassing op dergelijke “oude” contracten. Belangrijk om in dit verband aan te stippen, is in het bijzonder dat de nieuwe regels betreffende de maximale schadevergoeding in geval van wanbetaling ook van toepassing zijn op “oude” contracten (in zoverre de invordering plaatsvindt na 1 juli 2017).

Al deze en nog meer nieuwigheden staan in detail toegelicht in het vernieuwde “Hoofdstuk 3. Hypothecaire schulden: boek VII WER” van het Handboek Schuldbemiddeling (zie meer bepaald  Tabblad IX. Kredietschulden van dit handboek). Johan Vannerom, advocaat en Senior Affiliated Researcher bij de KU Leuven, heeft dit hoofdstuk geactualiseerd. Deze wijzigingen zijn reeds doorgevoerd in de elektronische versie van het Handboek Schuldbemiddeling, abonnees kunnen deze dus onmiddellijk online lezen. De papieren bijwerking waarin de nieuwe regels rond het hypothecair krediet zijn opgenomen (aflevering 59 sinds de vernieuwde uitgave van het Handboek Schuldbemiddeling in 2008) wordt eerstdaags verstuurd naar de abonnees die (ook) een papieren abonnement hebben. In deze bijwerking zijn overigens ook een aantal nieuwe bedragen/tarieven voor 2017 opgenomen (de “roze pagina’s”).

Wie nog geen abonnee is van het Handboek Schuldbemiddeling, kan hier meer informatie vinden. Je kan kiezen voor een louter papieren abonnement, voor een louter digitaal abonnement (met 2 toegangen) of voor een combinatie van beide (print + digitaal).

Inhoudelijke vragen of opmerkingen hierbij, kan je mailen naar de hoofdredacteur van het Handboek Schuldbemiddeling: miet.remans@vlaamscentrumschuldenlast.be.

Als je echter vragen hebt over een abonnement op het Handboek Schuldbemiddeling, kan je contact opnemen met uitgeverij Politeia: info@politeia.be.


Halt aan nutteloze schuldinvorderingskosten!

In Nederland woedt al een hele tijd een hevig debat over de schuldenproblematiek. Zo werd in november en december 2016 de documentaireserie “Schuldig daar uitgezonden. Je kan de zes afleveringen hiervan hier (her)bekijken. In De Correspondent verschenen dan weer de artikels “Onze incassoindustrie: eerst maken we schulden tot 2,5 keer hoger, dan sturen we dure hulpverleners op je af” en “De schuldsanering is vernederend, duur en ineffectief. Maar het kan anders”. In deze artikels wordt onder meer gepleit voor een overname van het Zweedse systeem, waar een “Koninklijk Incassobureau” bestaat dat niet alleen als enige instantie beslag mag leggen, maar ook hulp biedt aan schuldenaren en bindende betalingsregelingen voorstelt aan schuldeisers. De auteur van deze artikels verwijst ook naar het soepele Amerikaanse systeem van “persoonlijk faillissement” dat de schuldenaar niet jarenlang laat bloeden voor de schuldeisers: “Afscheid nemen van je schulden is in de VS doodeenvoudig. Je stapt naar de rechtbank met een verzoek om schuldverlichting. Je levert een lijst met je bezittingen aan. Je draagt bezittingen die niet op een lange lijst van uitzonderingen  staan over aan de rechtbank. En voilà: de rechter verleent je een schone lei. Het hele proces duurt doorgaans niet langer dan een maand of drie en elke Amerikaan krijgt eens in de acht jaar de mogelijkheid om gebruik te maken van zo’n persoonlijk faillissement.”

In Vlaanderen gaat sp.a-voorzitter John Crombez de strijd aan met wat hij de “schuldindustrie” noemt. Ook Apache-journaliste Kaja Verbeke heeft zich onlangs vastgebeten in deze thematiek, hetgeen resulteerde in de artikelen “Van een accordeon naar de rand van de afgrond”, “Schulden bij de overheid, schulden bij een goede vriend” en “Brood op afbetaling: collectieve schuldenregeling in België”.

Verder kunnen we in de Humo van deze week het artikel "Hoe de incassomaffia van een factuur van 100 euro een vordering van 1.038 euro maakt" lezen.

Leidt dit debat tot een fundamentele bijsturing van ons schuldinvorderingsbeleid, tot geleidelijke aanpassingen of tot niets? De toekomst zal het uitwijzen. In elk geval is het nu reeds zo dat onevenredig hoge schadevergoedingen (in algemene voorwaarden of contracten) nietig zijn op grond van artikel VI.83, 24° Wetboek Economisch Recht.

Hiernaast bepaalt artikel 866 Gerechtelijk Wetboek nu reeds dat “de proceshandelingen en akten die nietig zijn of nodeloze kosten veroorzaken door toedoen van een ministerieel ambtenaar [lees: gerechtsdeurwaarder]”, te zijnen laste vallen. Een gerechtsdeurwaarder die nodeloos beslag legt, bijvoorbeeld nadat een afbetaalplan werd toegestaan dat correct wordt nageleefd, kan dus zelf veroordeeld worden tot het dragen van de kosten hiervan.

En recentelijk werd bovendien volgende bijkomende zin ingevoegd in artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek:

Niettemin worden nutteloze kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022, zelfs ambtshalve ten laste gelegd van de partij die ze foutief heeft veroorzaakt"

(ingevoegd door art. 81 van de wet van 25 december 2016 “tot wijziging van de rechtspositie van de gedetineerden en van het toezicht op de gevangenissen en houdende diverse bepalingen inzake justitie”, B.S. 30 december 2016).

Deze nieuwe bepaling voert een uitzondering in op het principe dat de verliezende partij veroordeeld wordt tot de gerechtskosten: als de winnende partij foutief nutteloze gerechtskosten maakte, moet hij hier zelf voor opdraaien, ook al wint hij de rechtszaak.

In de Memorie van Toelichting bij deze nieuwe bepaling wordt verwezen naar de bestaande rechtspraak die de gerechtskosten die op  foutieve  wijze  werden veroorzaakt reeds ten laste van de winnende partij legde, omdat ze nutteloos waren. In dezelfde Memorie van Toelichting wijst men erop dat er onder meer sprake is van dergelijke nutteloze kosten wanneer het proces overbodig was, wanneer de winnende partij niet loyaal heeft meegewerkt aan de bewijsgaring, wanneer geprocedeerd wordt zonder rekening te houden met de disproportionaliteit van de gerechtskosten, wanneer gedagvaard wordt terwijl de vordering bij (goedkoper) verzoekschrift of conclusie kon worden ingesteld, wanneer overbodige  onderzoeksmaatregelen  worden  bevolen, enz... Kortom: wanneer algemeen gezondigd wordt tegen de beginselen  van  proceseconomie  en  procesloyauteit (zie Cass. 24 april 1978, Arr. Cass. 1978, 965 en Cass. 14 mei 20 01, Arr. Cass. 2001, 885; o.a. G. De Leval e.a., Droit Judiciaire. Tome 2. Manuel de procédure civile,Brussel, Larcier, 2015, blz. 274-275).

Met deze nieuwe bepaling wil de wetgever (onder meer) vermijden dat de rechtbanken overspoeld blijven worden met de invorderingen van onbetwiste geldschulden van professionelen. Voor zo’n zaken kan op heden immers via een gerechtsdeurwaarder een uitvoerbare titel bekomen worden, zonder gerechtelijke tussenkomst.

Ten aanzien van particulieren bestaat zo geen specifieke invorderingsprocedure, maar de nieuwe bepaling kan ook voor hen nuttig zijn. Wanneer je geconfronteerd wordt met een gerechtelijke schuldinvordering en er elementen zijn die erop kunnen wijzen dat er op foutieve wijze nutteloze kosten werden gemaakt, is het dus zeker zinvol om te verwijzen naar deze nieuwe bepaling. Hiermee kan je (proberen) vermijden dat de schuldenaar tot de gerechtskosten (met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding) veroordeeld wordt.

In het artikel “De wijziging van art. 1017, eerste lid Ger.W.: zotte kosten?”hebben Dirk Scheers en Pierre Thiriar wel bedenkingen bij het feit dat de nieuwe bepaling zowel spreekt over “nutteloze kosten” als over “foutief veroorzaakt”: “Zo bepaalt art. 1017, eerste lid Ger.W., ingevolge een amendement op het oorspronkelijke wetsontwerp, dat de nutteloze kosten ten laste van de in het gelijk gestelde partij worden gelegd wanneer zij deze kosten foutief heeft veroorzaakt. Ofwel worden de termen ‘nutteloze kosten’ en ‘foutief veroorzaakt’ door de wet gelijkgesteld, wat dit amendement totaal nutteloos zou maken, ofwel is de vereiste van een onrechtmatige daad van de in het gelijk gestelde partij (foutief handelen) door dit amendement in de wetswijziging binnengeslopen.”(zie het Rechtskundig Weekblad van 18 februari 2017 voor het integrale artikel).

Hoe dan ook: deze bepaling kan er hopelijk toe bijdragen dat een halt wordt toegeroepen aan nutteloze schuldinvorderingskosten. Rechters zijn er nu immers ambtshalve toe verplicht om deze bepaling toe te passen.

Vragen, opmerkingen of suggesties hierbij kan je mailen naar mohamed.elomari@vlaamscentrumschuldenlast.be.


Nieuwe richtlijn voor minnelijke invordering door gerechtsdeurwaarders

Een aantal jaren geleden informeerden wij jullie over de “Richtlijn 2013/001 inzake de minnelijke invordering van de schulden van de consument”. Met deze richtlijn wou de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders van België een aantal wanpraktijken door bepaalde gerechtsdeurwaarders aanpakken. Tegelijkertijd wou deze richtlijn ervoor zorgen dat de medewerkers van erkende instellingen voor schuldbemiddeling een duidelijk antwoord krijgen op vragen die zij in het kader van een minnelijke invordering stellen. Wie niet meer over deze richtlijn beschikt, kan deze nog steeds hier downloaden.

Op 19 april 2017 verstuurde de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders een nieuwe richtlijn naar alle gerechtsdeurwaarders. In deze richtlijn wijst deze Kamer erop dat er heel wat klachten binnenkomen over de wijze waarop minnelijke invorderingsbrieven zijn geformuleerd. Om deze reden brengt deze Kamer een aantal basisprincipes betreffende de minnelijke invordering door gerechtsdeurwaarders in herinnering. Zo onder meer de plicht om in elke aanmaningsbrief de onderliggende verplichting waaruit de betalingsverplichting voortvloeit, alsook de geëiste bedragen, te vermelden en te omschrijven (bv. door te verwijzen naar de relevante bepaling uit de contractuele voorwaarden). In deze richtlijn wordt ook o.m. afgeraden om verdere potentiële gerechtelijke invorderingskosten op te sommen, vermits deze in het stadium van minnelijke invordering nog te onzeker zijn.

Verder wordt in deze nieuwe richtlijn benadrukt dat het belagen van de schuldenaar die uitdrukkelijk en gemotiveerd de schuld heeft betwist, verboden is. “Ook een bondige motivatie [van de betwisting] volstaat aldus om een einde te maken aan uw tussenkomst in de minnelijke fase” is de boodschap die de gerechtsdeurwaarders in dit verband te horen krijgen.

De gerechtsdeurwaarders krijgen ook een signaalfunctie toebedeeld voor het geval zij zouden vaststellen dat bedrijven misleidende of onwettige praktijken hanteren: “Het komt ons ambt niet toe ten gronde te oordelen over een schuldvordering. Indien u echter vaststelt dat er meerdere elementen opduiken die vaak een knipperlichtfunctie hebben, lijkt het gepast u nader te informeren bij het bedrijf zelf of bij andere instanties (zoals de economische inspectie). Indien het manifest is dat het bedrijf gebruik maakt van misleidende of illegale praktijken, dient u de nodige terughoudendheid aan de dag te leggen of zelfs de opdracht te weigeren, zo niet verleent u uw medewerking aan ontoelaatbare handelspraktijken, wat een inbreuk op uw zorgvuldigheidsplicht kan uitmaken. Eén en ander zal natuurlijk steeds afhankelijk zijn van de feitelijke gegevens en omstandigheden.”

De Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders eindigt deze richtlijn met een waarschuwing aan het adres van gerechtsdeurwaarders die inbreuken zouden blijven begaan op de Wet Minnelijke Invordering: “In het licht van de voormelde intentie van sommigen om de controlebevoegdheid op de minnelijke invordering te ontnemen van de Nationale Kamer, heeft het directiecomité de verslaggever verzocht bovenstaande elementen nauwgezet op te volgen en bij eventuele overtredingen een tuchtprocedure te initiëren. Ik reken erop dat u indien nodig uw modellen aanpast aan bovenstaande aanbevelingen, zodat wij onze controleautonomie kunnen behouden.”

Als jij in jouw praktijk merkt dat bepaalde gerechtsdeurwaarders inbreuken (blijven) begaan op de Wet Minnelijke Invordering, kan je dit dus (ook) aan Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders signaleren.

Lees hier de integrale Richtlijn 2017CIR022 betreffende“minnelijke invordering — goede praktijken/xh” (pdf, 168 KB).


Ombudsfin adviseert “desolidarisatie” van consumentenkrediet waarin ex-echtgenoot feitelijk geen partij meer is

Elke schuldbemiddelaar maakt het weleens mee: een ex-echtgeno(o)t(e) die wordt aangesproken voor de betaling van een schuld die de voormalige partner louter voor eigen profijt maakte. Zo komt het bv. voor dat een kredietopening die de echtgenoten tijdens het huwelijk afsloten door één ex-echtgenoot verder gebruikt wordt na de echtscheiding. Bij wanbetaling kan ook diens voormalige partner hiervoor aangesproken worden vermits hij/zij destijds voor dit krediet meetekende. Dit voelt heel onrechtvaardig aan, zodat het niet hoeft te verbazen dat Ombudsfin (de ombudsdienst voor financiële diensten) hierover soms klachten ontvangt.

In het net vrijgegeven jaarverslag 2016 van Ombudsfin kan je op p. 22 meer bepaald het volgende lezen over deze kwestie:

Dit jaar kwam eenzelfde situatie meerdere malen naar voor: een koppel gaat een consumentenkrediet aan (voor de aankoop van een wagen of voor een kredietopening gekoppeld aan een kredietkaart die enkel door één van de partners wordt gebruikt). Het koppel gaat daarna uit elkaar en één van beide partners gebruikt en betaalt het krediet alleen verder, maar de andere partner blijft eveneens gehouden het krediet terug te betalen. Bij niet-betaling kan de kredietgever beide partners aanspreken en riskeren beide partners gemeld te worden voor wanbetaling gezien er geen desolidarisatie was.

De partner die niet betrokken is bij de schuld loopt dus het risico gemeld te worden zolang de schuld niet terugbetaald is. Een dergelijk dossier werd aan het College van experten voorgelegd: ingevolge een wanbetaling van de ex-echtgenoot in een consumentenkrediet van €5.000 werd de echtgenote gemeld in de CKP terwijl er bij de scheiding een overeenkomst was over de verdeling van de schulden. Het was duidelijk en onbetwist tussen de partijen dat de schuld van de ex-echtgenoot voortkwam uit dit consumentenkrediet dat door beide partners werd aangegaan tijdens hun relatie maar dat de wanbetaling enkel te wijten was aan de ex-echtgenoot.

De financiële instelling weigerde de echtgenote te desolidariseren. De enige oplossing voor haar was om het krediet volledig terug te betalen om zo haar schrapping uit de CKP te bekomen. In principe gebeurt de schrapping één jaar na de aanzuivering van de schuld maar het College heeft de bank gevraagd om de melding onmiddellijk te schrappen aangezien verzoekster niet aan de basis lag van de wanbetaling en zij het krediet volledig terugbetaalde.”

Voor de duidelijkheid: met "desolidarisatie" wordt bedoeld dat één van de kredietnemers uit het kredietcontract geschrapt wordt en dus ontslagen wordt van de verplichting om verder te betalen. De integrale tekst van het advies over de hierboven geciteerde casus, kan je hier downloaden.

Ombudsfin concludeert met volgende adviezen voor cliënten:

  • Doe een schriftelijke aanvraag tot desolidarisatie van een krediet.
  • Vraag schriftelijk de ontbinding van een kredietopening wanneer het saldo van de rekening op nul staat.

Aan financiële instellingen raadt Ombudsfin dan weer aan om zelf pragmatische oplossingen voor te stellen aan cliënten die een desolidarisatie willen bekomen in een krediet waarin zij feitelijk geen partij meer zijn. Je kan dit advies inroepen wanneer je in jouw praktijk met een dergelijke casus te maken krijgt.


Opgelet voor ongewenste betalende abonnementen!

De juridische helpdesk van het Vlaams Centrum Schuldenlast (VCS) ontvangt af en toe vragen over ongewenste betalende abonnementen die verscholen liggen achter zogezegd gratis proefpakketten voor bv. schoonheidsproducten of vermageringsmiddelen. Dat dit geen uitzonderlijk fenomeen is, blijkt uit een recent onderzoek van het Zweedse Europees Centrum voor de Consument en het Zweedse Consumenten Agentschap. Belangrijke vaststelling uit deze studie: maar liefst 3,5 miljoen consumenten uit België, Nederland, Zweden, Noorwegen, Oostenrijk en Finland tekenden de afgelopen drie jaar in op een onlineaanbod dat resulteerde in een ongewenst betalend abonnement.

Maar eigenlijk hoeft dit niet te verbazen: voor de aanbieders van dergelijke misleidende handelspraktijken is dit een lucratieve activiteit. Voor de verzendingskosten van de (zogezegd) gratis stalen ontfutselen zij de kredietkaartgegevens aan de consument, zodat zij nadien de facturen voor de (onverwachte) betalende zendingen moeiteloos kunnen debiteren van deze kredietkaart.

“Meer consumenten moeten de moed opbrengen om voor zichzelf op te komen als ze niet-bestelde goederen ontvangen of ongewenst opgezadeld werden met een abonnement. Maar uit de resultaten blijkt dat velen onvoldoende gewapend zijn en hun consumentenrechten onvoldoende kennen, zeker jongvolwassenen”, zegt Karen Ghysels (directeur van ECC België) over deze wanpraktijken.

Cliënten binnen de budget- en schuldhulpverlening weten meestal ook niet hoe zij moeten reageren als zij geconfronteerd worden met een ongewenst betalend abonnement. Als hulpverlener kan je hen erop wijzen dat dit een onwettige verkoopspraktijk is indien zij niet expliciet akkoord gingen met het achterna sturen van betalende zendingen. In sommige gevallen kan dit zelfs als afgedwongen aankoop bestempeld worden.

Op de website van ECC België vind je heel wat tips over wat slachtoffers van ongewenste betalende zendingen kunnen doen. Men raadt o.m. aan om de kredietkaart te blokkeren en de onterecht geïnde bedragen te proberen recupereren bij de kredietkaartuitgever.

Download hier een samenvatting van het onderzoek “Subscription traps in 6 EU countries 2017.


Ontdek de BudgetInZicht-samenwerkingsverbanden op www.budgetinzicht.be en op Weliswaar.be

Het Vlaams Centrum Schuldenlast (VCS) en de 11 regionale BudgetInZicht-samenwerkingsverbanden (afgekort: BIZ-samenwerkingsverbanden) sloegen de handen in elkaar om de website www.budgetinzicht.be te lanceren.

Deze 11 BIZ-samenwerkingsverbanden bestaan sinds 2011 en zijn regionale samenwerkingen tussen OCMW’s, OCMW-verenigingen, CAW’s, verenigingen waar armen het woord nemen en andere belangrijke stakeholders. Het CAW neemt telkens het budgethouderschap op en beheert de subsidies die minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Jo Vandeurzen toekent.

De missie van deze samenwerkingsverbanden is om structureel schuldenoverlast te voorkomen en terug te dringen via preventie-initiatieven en via initiatieven ter bevordering van kwaliteitsvolle en integrale budget- en schuldhulpverlening. Meer concreet moeten zij in hun werkgebied volgende opdrachten realiseren:

  • preventie-initiatieven nemen en aan nazorg doen om schuldenoverlast of herval in schuldenoverlast te voorkomen;
  • initiatieven nemen ter ondersteuning van een toegankelijke, cliëntgerichte en integrale budget- en schuldhulpverlening, teneinde gezinnen en personen in staat te stellen om zelf verantwoordelijkheid te (leren) dragen voor hun duurzame budgetmanagement

(bron: art. 11bis van het besluit van de Vlaamse Regering 25 maart 1997 “tot uitvoering van het decreet van 24 juli 1996 houdende regeling tot erkenning en subsidiëring van de instellingen voor schuldbemiddeling en tot subsidiëring van een Vlaams Centrum Schuldenlast”)

Hoe een BIZ-samenwerkingsverband deze opdrachten invult, hangt af van de concrete noden in de eigen regio. Op www.budgetinzicht.be vind je per samenwerkingsverband informatie terug over het gevarieerde BIZ-aanbod en over de BIZ-contactpersonen uit de betreffende regio. Je vindt hier ook doorklikmogelijkheden terug naar een aantal regionale BIZ-websites.

Het VCS was van bij de start een partner in dit verhaal en nam vanaf 2012 een coördinerende en ondersteunende rol op t.a.v. de verantwoordelijken van deze BIZ-samenwerkingsverbanden. Het VCS beschouwt hen overigens als “regionale antennes” en werkt ook nauw met hen samen. De samenwerking tussen het VCS en de BIZ-samenwerkingsverbanden resulteerde al meermaals in succesvolle campagnes, acties en tools die gebruikt kunnen worden in het kader van schuldpreventie. Zo werd recentelijk samengewerkt in het kader van de campagne “De Week van Het Geld” en in het kader van het financieel opvoeden (ontwikkeling gids voor ouders). Op www.budgetinzicht.be vind je hierover meer informatie terug en kan je een aantal tools ook rechtstreeks downloaden. Zo onder meer:

  • een laagdrempelige folder over de vraag “Sparen of niet?
  • een gids die ouders wil helpen om hun kinderen financieel op te voeden
Surf naar www.budgetinzicht.be om kennis te nemen van deze en andere tools en om informatie terug te vinden over het aanbod van het BIZ-samenwerkingsverband in jouw regio of in een andere regio!
Hiernaast besteedt ook Weliswaar.be deze maand aandacht aan de schuldenthematiek. Zo worden o.m. een aantal goede praktijken van enkele BIZ-samenwerkingsverbanden voorgesteld. Lees meer...


Mag de NMBS 200 euro per inbreuk aanrekenen aan zwartrijders?

Inleiding

Medewerkers van erkende instellingen voor schuldbemiddeling worden soms geconfronteerd met zwartrijders die de trein namen zonder hiervoor betaald te hebben en die per inbreuk een extra schadevergoeding van 200 euro moeten betalen bovenop de ritprijs. Doordat de NMBS deze dossiers in het verleden langere tijd niet opvolgde, resulteerde dit voor sommige cliënten in een situatie van overmatige schuldenlast waarvoor enkel een collectieve schuldenregeling nog een uitweg lijkt te bieden … omdat plots tot wel duizenden euro’s worden ingevorderd. Op ons <<expert-extranet>> is hierover al enige tijd een nota beschikbaar die medewerkers van erkende instellingen voor schuldbemiddeling kunnen raadplegen en waaruit zij juridische argumenten kunnen putten teneinde de aanrekening van deze hoge schadevergoedingen te betwisten.

Verjaringstermijn


Een eerste mogelijke argument betreft de toepasselijke verjaringstermijn en de al dan niet ‘deugdelijkheid’ van de strafbaarstelling van het zwartrijden met de trein die uiteindelijk, via omwegen en verwijzingen, gebaseerd zou zijn op een wet van 1818. Indien deze strafbaarstelling eigenlijk als onbestaande zou moeten worden beschouwd, kan men zich beroepen op artikel 9 van de Vervoerswet dat stelt dat vorderingen uit vervoersovereenkomsten na 1 jaar verjaren, met uitzondering van de vorderingen die volgen uit een strafbaar feit. Indien de strafbaarstelling wel correct zou zijn, zou men dit artikel sowieso niet kunnen inroepen en zou de conclusie zijn dat de verjaringstermijn 5 jaar bedraagt gelet op het feit dat het een correctionele straf betreft en een burgerlijke vordering niet kan verjaren vooraleer de strafrechtelijk vordering verjaard is.

In een arrest van 6 mei 2014 van het Hof van Cassatie (pdf, 163 KB) wordt deze strafbaarstelling besproken en blijkbaar zag dit Hof (gelet op de voorgelegde vragen – zie verder) er geen graten in dat zwartrijden bestraft wordt door die wet van 1818. Verder is er bij het VCS tot nu toe ook geen lagere feitenrechtspraak bekend die op deze vorderingen een 1-jarige verjaringstermijn zou toepassen.

Inzake de verjaring lijkt aldus nog één mogelijk argument over te blijven om toch de 1-jarige verjaringstermijn te bepleiten, met name dat het gelijkheidsbeginsel (art. 10 en 11 Grondwet) geschonden wordt doordat in gelijkaardige omstandigheden van zwartrijden bij nationaal treinvervoer van personen een 5-jarige verjaringstermijn van toepassing is terwijl deze termijn (normaliter) 1 jaar bedraagt wanneer het over internationaal treinvervoer van personen gaat. Dit laatste is voorzien in Verordening nr. 1371/2007 van 23 oktober 2007 "betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer" en de bijhorende bijlage "UITTREKSEL UIT DE UNIFORME REGELEN BETREFFENDE DE OVEREENKOMST VAN INTERNATIONAAL SPOORWEGVERVOER VAN REIZIGERS EN BAGAGE (CIV)" (zie artikel 6.2 juncto 60.2 van deze bijlage). Art. 6.2 van deze bijlage stelt vooreerst dat het ontbreken van een vervoersbewijs niet betekent dat er geen sprake zou zijn van een ‘vervoersovereenkomst’ (“De vervoerovereenkomst moet worden vastgelegd in een of meer vervoerbewijzen die aan de reiziger worden overhandigd. Onverminderd artikel 9 tast het ontbreken, de onregelmatigheid of het verlies van het vervoerbewijs noch het, bestaan, noch de geldigheid van de overeenkomst aan, die onderworpen blijft aan deze Uniforme Regelen.”). Vervolgens bepaalt art. 60.2 van deze bijlage op het vlak van de verjaring van de ‘vervoersovereenkomst’ het volgende: “1. De op de aansprakelijkheid van de vervoerder in geval van dood en letsel van reizigers gegronde rechtsvorderingen tot schadevergoeding verjaren: a) voor de reiziger, door verloop van drie jaar te rekenen van de dag na het ongeval; b) voor de andere rechthebbenden, door verloop van drie jaar te rekenen van de dag na het overlijden van de reiziger, doch van ten hoogste vijf jaar te rekenen van de dag na het ongeval. 2. De andere rechtsvorderingen uit de vervoerovereenkomst verjaren door verloop van één jaar. De verjaringstermijn bedraagt evenwel twee jaar indien de rechtsvordering gegrond is op een schade ontstaan uit een handeling of nalaten geschiedt hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zal voortvloeien.” Inzake internationaal verkeer wordt inzake de verjaring dus een onderscheid gemaakt naargelang de mogelijke strafbare feiten die (gelijktijdig) worden gepleegd en zou op het (loutere) zwartrijden een verjaringstermijn van 1 jaar van toepassing zijn. Bij nationaal treinverkeer is dat niet het geval.

Zijn er daarnaast nog andere mogelijkheden om de niet-toepassing van de 5-jarige verjaringstermijn te bepleiten, door met name de strafbaarstelling van zwartrijden in vraag te stellen ondanks het arrest van het Hof van Cassatie dd. 6 mei 2014? Wij menen van wel maar verwijzen hiervoor verder door naar onze nota op ons <<expert-extranet>>. Hierbij merken we nog op dat het lezen van arresten van het Hof van Cassatie geen sinecure is en men er ook rekening mee moet houden dat het Hof van Cassatie enkel antwoordt op rechtsvragen die expliciet gesteld worden. Hierbij menen wij dat alle mogelijke argumenten om deze strafbaarstelling in vraag te stellen, naast de mogelijke schending van het gelijkheidsbeginsel (zie hierboven), nog niet aan de rechtspraak zijn voorgelegd.

Toepassing van de WMPC (ondertussen Boek VI WER) en de leer over onrechtmatige bedingen in het bijzonder

Een tweede mogelijk argument betreft het feit dat de schadevergoeding van 200 euro, voorzien in de Algemene Voorwaarden van de NMBS, die een reglementair karakter hebben en eenzijdig worden bepaald door de NMBS na bekrachtiging bij Koninklijk Besluit, mogelijks in strijd is met de WMPC (ondertussen Boek VI van het WER – voorheen de WHPC) en in het bijzonder de regels betreffende de onrechtmatige bedingen. Meer specifiek kan er worden geargumenteerd dat deze schadevergoeding van 200 euro misschien wel wederkerig is opgenomen in de algemene voorwaarden van de NMBS, omdat reizigers ook een vergoeding kunnen krijgen wanneer de NMBS in gebreke blijft, maar dat (de aanrekening van) deze vergoeding niet gelijkwaardig is vergeleken met de compensatie die een reiziger krijgt wanneer de trein (ernstige) vertraging heeft (art. 74, 17 WMPC, op heden art. VI, 83, 17° WER). Verder kan geargumenteerd worden dat deze vergoeding niet in verhouding staat tot de voorzienbare schade die de NMBS kan lijden wanneer iemand niet betaalt voor zijn treinrit (art. 74, 24° WMPC, op heden art. VI, 83, 24° WER).

In het zonet vermelde arrest van het Hof van Cassatie van 6 mei 2014 (pdf, 163 KB) wordt de toepassing van de WMPC niet uitgesloten. Meer zelfs, verwijzend naar een arrest van het Grondwettelijk Hof van 26 oktober 2005 (pdf, 69 KB), stelde het Hof van Cassatie expliciet het volgende: “Uit het voorgaande volgt dat de in het middel aangehaalde wetsbepalingen (uit de WMPC) van toepassing zijn op de bedingen in overeenkomsten gesloten tussen de verweerster (de NMBS) en een consument (de treinreiziger) met betrekking tot de toeslagen ingeval van het niet of niet-tijdig voldoen van de prijs voor het vervoer” (eigen toevoegingen). Men kan dus wel degelijk de bepalingen inzake onrechtmatige bedingen uit de WMPC (op heden: boek VI WER) inroepen om de Algemene Voorwaarden van de NMBS aan te vechten voor een rechtbank, ook wanneer er sprake is van zwartrijden.

Aanvullend hierbij dient ook nog een recenter arrest van 6 december 2016 van het Hof van Cassatie (pdf, 31 KB) vermeld te worden (gewezen in dezelfde zaak als het cassatiearrest van 6 mei 2014). Hierin besliste het Hof van Cassatie dat de feitenrechter 'onaantastbaar' kan boordelen of een schadevergoedingsbedrag niet evenredig is aan het nadeel dat de verkoper of onderneming kan lijden. Het Hof van Cassatie kan echter wel controleren of de feitenrechter uit de door hem vastgestelde feiten al dan niet wettig heeft kunnen afleiden dat er sprake is van een dergelijke onevenredigheid. In het geval dat hier voorgelegd werd, had de rechter vastgesteld dat het schadevergoedingsbedrag onevenredig hoog lag, op basis van drie argumenten: 1.) per overtreding wordt een bedrag van 200 euro aangerekend; 2.) de NMBS toont niet aan dat gemiddeld 270 minuten aan een dossier wordt besteed, noch dat dit zou uitmonden in een kost van 218 euro per dossier / per overtreding; 3.) de NMBS wendt de forfaitaire vergoeding aan om te investeren in een betere dienstverlening. Het Hof van Cassatie besliste dat deze argumenten niet volstonden om het schadevergoedingsbedrag als onevenredig hoog te bestempelen. Een rechter die in de toekomst nog een schadevergoeding van de NMBS (of van een andere verkoper/onderneming) wil toetsen vanuit de optiek of dit wel of niet onevenredig hoog is, zal dus beter moeten motiveren waarom het aangerekende bedrag volgens hem/haam duidelijk niet evenredig is aan het nadeel dat de verkoper of onderneming kan lijden. Argumenten zoals 'de schadevergoeding wordt gebruikt voor een betere dienstverlening' zijn vanuit deze optiek niet relevant.

Het is dus aan de feitenrechters om hun oordeel over deze kwestie te vellen, rekening houdende met deze interpretaties van het Hof van Cassatie. De feitenrechtspraak is evenwel verdeeld.  De NMBS kan tal van vonnissen voorleggen die in haar voordeel zijn uitgesproken en die (verkeerdelijk) oordelen dat de WMPC/boek VI WER niet van toepassing is, of (wanneer ze aannemen dat de WMPC van toepassing is) dat de schadevergoeding voorzien in de Algemene Voorwaarden van de NMBS wederkerig en evenwaardig is en ook in verhouding is tot de voorzienbare schade. Anderzijds wordt er soms wel degelijk ook in het voordeel van de niet-betalende reiziger gevonnist. Het aantal 'zwartrijdersvriendelijke' vonnissen lijkt enigszins te stijgen sinds het vermelde arrest van het Hof van Cassatie van 6 mei 2014. We bespreken hieronder enkele van deze vonnissen:

Roeselare 10 maart 2015 (pdf, 361 KB)

Het vredegerecht te Roeselare kwam op 10 maart 2015 tot de conclusie dat de vergoedingen die de NMBS resp. een reiziger moet betalen wanneer de andere in gebreke blijft niet gelijkwaardig zijn (en dus in strijd met art. 74, 17° WMPC). Betrokkene had (eenmalig) een ritprijs van 11,20 euro niet betaald omdat er geen loket open was noch een werkende automaat voorhanden was. De reizigster meldde zich daarna bij het opstappen van de trein aan bij de conducteur die haar meldde dat ze niet met de bankkaart kon betalen. Ze had geen cash geld met zich mee. Nadien reageerde ze niet op een ingebrekestelling (die wellicht vanwege een echtscheidingskwestie en verhuis betrokkene niet bereikte). Uiteindelijk werd zij door de NMBS geconfronteerd met een te betalen vordering voor de rechtbank van 211,20 euro, 11,20 voor de treinrit plus een schadevergoeding van 200 euro hetgeen dus in totaal bijna 20 x de ritprijs bedroeg! Dit vergeleek de rechter met de omstandigheid dat, bij een vertraging van de trein van minstens 60 minuten of meer, een reiziger vanwege de NMBS slechts recht heeft op een maximale vergoeding van 1 x de ritprijs. De rechter herleidde vervolgens de schadevergoeding van 200 euro tot een bedrag van 50 euro.

Florennes-Walcourt 12 februari 2014 (pdf, 41 KB)

Een gelijkaardig vonnis werd geveld door de vrederechter van Florennes-Walcourt op 12 februari 2014, waarbij in verband met de verhoging van 200 euro een overtreding werd vastgesteld van art. 74, 17° en 24° WMPC.

Brussel 26 november 2014 (pdf, 809 KB)

In november 2014 kwam de Politierechtbank te Brussel tot de conclusie (na betrokkenen eerst op strafrechtelijk vlak te hebben veroordeeld voor het zwartrijden) dat de aanrekening van 200 euro extra de vermelde regelen inzake onrechtmatige bedingen overtreedt doordat "la somme reclaméé excède le dommage potentiel" (in strijd met art. 74, 24° WMPC). Verder merkte deze rechtbank op dat die 200 euro niet in proportie staat tot de prijs van het onbetaalde ticket, dat een normale reiziger geen kennis heeft en kan hebben van de (230 pagina’s tellende) algemene voorwaarden van de NMBS, dat de NMBS niet kan vergeleken worden met een commercieel bedrijf dat bij het uitblijven van bepaalde betalingen failliet kan gaan alsook dat de NMBS, indien er verschillende overtredingen zijn door eenzelfde persoon, haar invorderingskosten kan beperken door bepaalde stappen en brieven gegroepeerd te ondernemen resp. te versturen. Ook deze rechter herleidde vervolgens de schadevergoeding van 200 euro naar een kleiner bedrag.

Antwerpen 23 september 2015 (pdf, 311 KB)

In dit vonnis wordt vooreerst aan de kaak gesteld dat de artikelen uit de Algemene Voorwaarden die ingeroepen worden om de verhoging met 200 euro te rechtvaardigen niet duidelijk zijn, en dat bijgevolg de voor de consument meest gunstige interpretatie moet worden toegepast (conform art. 40 WMPC). Hierbij beslist de rechter dat de Algemene Voorwaarden voor een “reiziger zonder vervoersbewijs en zonder voorafgaande verwittiging” enkel duidelijk een verhoging met 60 euro voorzien en dat sowieso dus 200 euro niet kan. Vervolgens gaat de rechter na of de bepalingen over de vergoeding (van 60 of 200 euro) verstaanbaar zijn met art. 74 en 75 van de WMPC. Hij meent van niet en stelt een overtreding vast van de vereiste van ‘gelijkwaardigheid’ inzake schadebedingen (zoals bepaald in art. 74, 17° WMPC). Zijn focus ligt hier niet enkel op het bedrag van die vergoedingen maar ook op het feit dat de schadevergoedingen ten voordele van de NMBS (hoog en) ‘forfaitair’ bepaald zijn wanneer een reiziger niet (tijdig) betaalt terwijl een reiziger (naast een minimale forfaitaire vergoeding onder strikte voorwaarden) bij vertragingen of afschaffen van treinritten ‘reële schade’ moet bewijzen om een (bijkomende) vergoeding te bekomen (bv. omdat deze hierdoor een afspraak bij bv. een tandarts heeft gemist en hiervoor een vergoeding moet betalen aan de tandarts). Ook die scheeftrekking is volgens deze rechter een miskenning van de WMPC. Tot slot gaat de rechter, op grond van art. 1382 B.W, over tot het (ex aequo et bono) begroten van de (reële) administratie- en invorderingskosten die de NMBS heeft en bepaalt deze op 50 euro per overtreding. Daarbij hield de rechter rekening met de mogelijkheid van 'informatisering' wat betreft de opvolging van deze dossiers. M.a.w. stelt deze rechter dat de NMBS eigenlijk zelf de oorzaak is van de 'hoge opvolgingskost' van niet-betalende reizigers door 'archaïsch' te werk te gaan.

Antwerpen 5 juni 2015 (pdf, 440 KB)

In dit vonnis wordt uiteindelijk de bijkomende vergoeding per overtreding herleid van 200 euro naar 25 euro per overtreding. De precieze rechtsgronden waarop dit gebeurt zijn niet helemaal duidelijk. Vooreerst wordt gesteld dat de verhoging met 200 euro vooral een ‘ontradend effect’ wil ressorteren bij de zwartrijder (en dus niet zozeer bedoeld is om reële voorzienbare en/of geleden schade die de NMBS lijdt te vergoeden) en dat dit in casu, o.a. gelet op de verslavingsproblematiek van betrokkene, weinig effectief is. Verder wordt bemerkt dat de totale forfaitaire vergoeding voor de invorderingskosten, in casu 1.600 euro, ‘fel overdreven’ en ‘niet realistisch’ voorkomt (en dus in strijd is met art. 74, 24° WMPC). Ook bemerkt deze rechter dat van de overheid, en ook van een vennootschap van publiek recht zoals de NMBS, verwacht mag worden, op basis van een gerechtvaardigde solidariteit, dat ze de ‘minderbedeelden’ zo veel als mogelijk ontziet en hen helpt een ‘menswaardig bestaan’ te kunnen leiden. In schrijnende gevallen zoals in casu zou de NMBS ‘mededogen’ en ‘begrip’ moeten tonen. Tot slot meldt hij dat zeker van een vrederechter verwacht mag worden er op toe te zien dat het ‘klakkeloos’ toepassen van wetten en reglementen niet leidt tot totaal ‘ethisch onaanvaardbare’ en dus ‘onrechtvaardige’ toestanden.

Leuven 22 december 2015 (pdf, 222 KB)

In dit vonnis wordt vooreerst duidelijk gesteld dat de WMPC van toepassing is op de Algemene Voorwaarden van de NMBS en dat enige discussie (over de strafbaarheid van zwartrijden met de trein en) over de vraag of het aanrekenen van 200 euro bij zwartrijders van contractuele aard is (zoals wanneer men wel een geldig ticket koopt) dan wel van reglementaire aard niet relevant is. In beide gevallen van zwartrijden kunnen (door consumenten) de vermelde regels van de WMPC samen met de Algemene Voorwaarden van de NMBS ter beoordeling aan de rechter worden voorgelegd. Hij besluit verder dat de forfaitaire schadevergoeding van 200 euro per overtreding die de NMBS eist niet ‘gelijkwaardig’ is met de vergoeding die de reiziger kan claimen wanneer de NMBS in gebreke blijft haar reizigers correct te vervoeren, en dat desbetreffende bepalingen van de Algemene Voorwaarden van de NMBS dus in strijd zijn met art. 74, 17° WMPC en bijgevolg nietig. Vervolgens erkent hij dat de NMBS door de niet-betaling bijkomende administratieve kosten heeft, noodzakelijk voor een correcte debiteurenopvolging. Deze werkelijke schade wordt door de rechter (ook) ‘forfaitair’ op 50 euro per overtreding ‘in redelijkheid’ begroot, omdat een strikt mathematische berekening van deze kosten onbegonnen werk lijkt (wat ook blijkt uit het feit dat de NMBS de vergoeding voor deze schade in haar Algemene Voorwaarden ‘forfaitair’ bepaald heeft). Verder merkt hij op dat bij deze begroting van de schade in hoofde van de NMBS zeker niet mag leiden tot het opleggen van een ‘private straf’ met ‘ontradend effect’.

Genk 13 december 2016

Dit recente vonnis verschilt van voorgaanden doordat het vooreerst duidelijk stelt dat de verhouding tussen de NMBS en een niet-betalende reiziger reglementair van aard is, en dus niet contractueel. Er wordt (bijgevolg) ook niet overgegaan tot een toetsing aan de bepalingen van de WMPC. Ook een toetsing aan art. 1231, §1 Burgerlijk Wetboek houdende een verbod van strafbedingen wordt voor onmogelijk gehouden wegens de reglementaire aard van de relatie tussen de NMBS en een niet-betalende reiziger. Wel wordt de 'burgerlijke boete' (marginaal) getoetst aan de het evenredigheidsbeginsel, een beginsel van behoorlijk bestuur van toepassing op deze autonome overheidsdienst dan toch minstens op het Koninklijk Besluit dat het reglement van de NMBS bekrachtigt, waarmee het in strijd wordt geacht (door een vergelijking te maken met de situatie waarin iemand niet betaald heeft voor een parkeerplaats, en die in Gent na niet-betaling eerst een kosteloze herinnering krijgt opgestuurd en daarna pas een aangetekende zending waarbij een forfaitaire invorderingskost van 15 euro wordt aangerekend en waardoor ook de wettelijke intrest begint te lopen). De rechter past daarom  het reglement van de NMBS niet toe. Vervolgens stelt de rechter dat er alleszins sprake is van een onrechtmatige daad (art. 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek) en kent (forfaitair) een schadevergoeding van 40 euro per niet-betaalde rit toe (naar analogie met art. 6, eerste lid van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties). Terloops wordt in dit vonnis ook nog gesteld dat een echte 'straf' enkel bij wet kan ingevoerd worden (art. 14 Grondwet). Dit vonnis werd gepubliceerd in het Rechtskundig Weekblad 2016-17, nr. 29, p. 1154-1156.

Online-artikel met vermelding van nog meer feitenrechtspraak in het voordeel van niet-betalende reizigers

Zie verder over deze materie ook nog volgend (Franstalige) online-artikel waarin wordt verwezen naar bepaalde (oudere) feitenrechtspraak die inzake de verhoging van 200 euro een overtreding ziet van de principes inzake onrechtmatige bedingen: http://www.emulation-innovation.be/amendes-sncb-clauses-penales-abusives/. Er wordt hierin verwezen naar een vonnis van de correctionele rechtbank van Verviers uit 2009 (waarin wordt gesteld dat er geen sprake is van ‘wederkerigheid’ conform art. 74, 17° WMPC omdat een reiziger enkel de prijs van een rit kan vergoed krijgen wanneer de NMBS in gebreke blijft terwijl de NMBS dan sowieso nog de ritprijs kan aanrekenen plus forfaitair bepaalde vergoedingen) en  een vonnis van de correctionele rechtbank van Luik van 26 april 2010 dat navolging zou hebben gehad in een vonnis van de politierechtbank van Charleroi van 9 juin 2011 (waarin telkens wordt gesteld dat er weliswaar sprake is van ‘wederkerigheid’ maar niet ‘evenwaardigheid’). De rechtbank in Verviers kwam dan weer tot de conclusie dat geen enkele bijkomende vergoeding bovenop de ritprijs kon worden geëist van de niet-betalende reiziger. In de andere twee uitspraken werd de vergoeding herleid van 200 euro naar 50 euro per overtreding, mede op basis van de overweging dat de NMBS bij meerdere overtredingen door eenzelfde persoon één enkel invorderingsdossier kan openen en bepaalde kosten kan drukken door bv. voor verschillende overtredingen één enkele aanmaningsbrief te versturen.

Het Europees Hof van Justitie zou recent toch de toepassing van consumentenrechten (en passagiersrechten) hebben uitgesloten in situaties waarin een treinreiziger geen ticket kocht en zich hierna niet tijdig regulariseerde. Klopt dit?

In de Juristenkrant verscheen enige tijd geleden een artikel met als titel “Passagiers- en consumentenrecht bieden geen bescherming tegen treinboetes” van W. VERHEYEN. Het betrof een bespreking van een arrest van het Hof van Justitie van 21 september 2016 (pdf, 512 KB) waarin een antwoord werd geformuleerd op een prejudiciële vraag in een geschil aanhangig bij een Belgische rechter tussen de NMBS en een reiziger die zijn rit niet had betaald en bij wie 200 euro per rit werd geïnd.  Wij kunnen met de conclusie die in de titel van het artikel gesuggereerd wordt geenszins akkoord gaan.

Vooreerst omdat inzake de NMBS (nog steeds) wordt volgehouden dat, om enige bescherming van de WMPC te kunnen genieten, er sprake moet zijn van een ‘contractuele band’ op basis van ‘wilsovereenstemming’ opdat iemand zou kunnen genieten van de regels inzake consumentenbescherming. Gelet op de hierboven aangehaalde rechtspraak van het Hof van Cassatie en het Grondwettelijk Hof, moet deze stelling afgewezen worden. Consumentenrecht, en zeker de leer over de onrechtmatige bedingen, dient om het mogelijk onevenwicht tussen een ‘onderneming’ en een ‘consument’ te herstellen in situaties waarin de onderneming ‘algemene voorwaarden’ opstelt die op een consument van toepassing zullen zijn en dit ongeacht of deze voorwaarden op de consument van toepassing zijn op basis van een ‘overeenkomst’ dan wel sowieso van toepassing zijn omdat ze ‘eenzijdig’ worden bepaald door de onderneming (en kracht van wet hebben) en dit ook in een niet-contractuele situaties. Met name is al langer aangenomen dat de leer over de onrechtmatige bedingen ook van toepassing is in ‘reglementaire verhoudingen’ tussen een onderneming en een consument. Zie in die zin bv. ook de noot van A. VAN OEVELEN in het Tijdschrift van de Vrederechters (2015, p. 511-519) waarin expliciet het volgende wordt gesteld: "Sinds de Wet Marktpraktijken in artikel 2, 1° het in deze wet gebruikte begrip "onderneming" omschrijft als "elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen" en het begrip "dienst" definieert als "elke prestatie verricht door een onderneming in het kader van haar professionele activiteit of in uitvoering van haar statutaire doel" is het voor de toepassing van deze wet niet van belang of de rechtsverhouding tussen de NMBS en haar reizigers als van contractuele dan wel als van reglementaire aard moet worden gekwalificeerd."

Hierbij ook de bemerking dat het Hof van Justitie zich in het vermelde arrest geenszins uitspreekt over de omstandigheid dat, om van consumentenbescherming te kunnen genieten, er sprake zou moeten zijn van een contractuele band in de vorm van een overeenkomst tussen de betrokken onderneming en consument. Het Hof zegt enkel het volgende: “Artikel 6, lid 2, in fine, van aanhangsel A bij het Verdrag betreffende het internationaal spoorwegvervoer (COTIF) van 9 mei 1980, zoals gewijzigd bij het Protocol houdende wijziging van het Verdrag betreffende internationaal spoorwegvervoer van 3 juni 1999, dat is opgenomen in bijlage I bij verordening (EG) nr. 1371/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer, moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen nationale bepalingen op grond waarvan een persoon die de trein neemt zonder vervoerbewijs en zijn situatie niet binnen de in die bepalingen neergelegde termijnen regulariseert, geen contractuele band heeft met de spoorwegonderneming.” Hierbij dan nog de bemerking dat dit Europees recht zich (ook) niet verzet tegen nationaal recht dat zou bepalen dat er desgevallend wel sprake is van een overeenkomst. Verder ook de bedenking dat er in de rechtspraak vonnissen terug te vinden zijn die oordelen dat (impliciet) een 'overeenkomst' gesloten wordt, ook wanneer er niet betaald wordt, alleen op basis van de omstandigheid dat een reiziger plaatsneemt op een toestel van het openbaar vervoer (waarbij deze reiziger geacht wordt  het 'aanbod' van de vervoersmaatschappij te hebben aanvaard). ZIe bijvoorbeeld dit vonnis van een vrederechter te Brussel van 8 november 2012 (pdf, 2.17 MB) over zwartrijden met  een STIB-bus.

Tot slot kan nog opgemerkt worden dat in het genoemde artikel in de Juristenkrant de auteur bij de bespreking van het arrest de stelling van de NMBS gewoonweg overneemt alsof consumentenbescherming de toepassing van de leer van de onrechtmatige bedingen exclusief zou voorbehouden aan contractuele relaties op basis van een overeenkomst, een stelling die wij dus niet volgen. Maar het valt ook op dat de auteur er in zijn artikel vanuit gaat dat de verhoging met 200 euro een echte ‘strafrechtelijke boete’ is, quod non. Het betreft wel degelijk een ‘schadevergoeding’ en zou betrokken persoon gedagvaard zijn voor een politierechtbank, dan zou hij naast een veroordeling tot betalen van die verhoging van 200 euro per onbetaalde en niet-geregulariseerde rit (op burgerlijk vlak – op basis van de Algemene Reisvoorwaarden van de NMBS) ook nog veroordeeld kunnen worden tot een gevangenisstraf van 8 tot 14 dagen en een strafrechtelijke geldboete, of met één van die straffen alleen (op strafrechtelijk vlak – op basis van art. 3 van de wet van 12 april 1835 betreffende het tolgeld en de reglementen van de spoorwegpolitie juncto de wet van 6 maart 1818 betreffende de straffen uit te spreken tegen de overtreders van algemene verordeningen of te stellen bij provinciale of plaatselijke reglementen).

Toepassing van de WMPC (ondertussen Boek VI WER) en de leer over onrechtmatige bedingen in het bijzonder en de sanctie die de rechter (ambtshalve) moet uitspreken (ook in verstekzaken)

Uit de bespreking hierboven lijken de meeste rechtbanken, wanneer ze menen dat de verhoging met (60 of) 200 euro in strijd is met art. 74 en/of 75 WMPC en dus concluderen dat die schadevergoeding nietig is, de betreffende schadevergoeding ten voordele van de NMBS te herleiden tot een kleinere som (bv. 25 of 50 euro per overtreding).

Vraag is of de rechtbank dit desgevallend wel kan en mag doen. Recente rechtspraak van het Europees Hof van Justitie zou hieraan in de weg kunnen staan. In ons Handboek Schuldbemiddeling lezen we over deze kwestie het volgende: “Uit recente rechtspraak van het Hof van Justitie (HvJ 21 januari 2015, Zaken nr. C-482/13, C-484/13, C-485/13 en C-487/13, Unicaja Banco) zou ook kunnen worden afgeleid dat de mogelijkheid voor de onderneming om beroep te doen op bepalingen van suppletief recht beperkt is tot het geval waarin de toepassing van het suppletief recht noodzakelijk is om te vermijden dat de consument nadeel ondervindt. Als deze stelling wordt aanvaard, dan betekent dit dat een onderneming die een onrechtmatig schadebeding heeft opgenomen, niet meer de mogelijkheid heeft om bij toepassing van het gemeen recht een schadevergoeding (nalatigheidsinteresten) te vragen.” Dit zou betekenen dat indien dergelijk beding nietig is omdat het onrechtmatig is op basis van de WMPC, er dan zelfs geen nalatigheidsintresten mogen worden aangerekend (op basis van suppletief recht en met name art. 1153 B.W. waarvan het eerste lid als volgt luidt: “Inzake verbintenissen die alleen betrekking hebben op het betalen van een bepaalde geldsom, bestaat de schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering nooit in iets anders dan in de wettelijke interest, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen.”) en dus zeker geen (vervangende maar lagere) schadevergoeding.

Last but not least! Het is ondertussen algemeen gekend, maar wordt daarom niet steeds en altijd (ook bij verstekvonnissen) toegepast, dat rechters bepaalde regels van Europees consumentenrecht ‘ambtshalve’ zouden moeten opwerpen en toepassen. Hieronder vallen met name ook de zonet besproken regels inzake de onrechtmatige bedingen uit de WMPC/boek VI WER dewelke een omzetting zijn van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 "betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten". In dat verband kan verwezen worden naar een recent vonnis va, het vredegerecht te Westerlo van 2 maart 2016 (pdf, 397 KB), dat bij verstek werd uitgesproken bij toepassing van het nieuwe artikel 806 Ger.W. (zoals van toepassing sinds 1 september 2015) en waarin het volgende geconcludeerd wordt: “Overwegende dat derhalve, gelet op al wat voorafgaat, dient te worden overgegaan tot de ambtshalve toetsing van de bedingen waarop eisende partij zich beroept bij haar huidige vordering tot betaling van een forfaitaire schadevergoeding. Overwegende dat eisende partij zich daarbij beroept op haar met toepassing van de wet van 25 augustus 1891 in verschillende edities (de laatste van 14 januari 2015) van het Belgisch Staatsblad gepubliceerde Vervoersvoorwaarden, meer bepaald de artikelen 2.1.0.1, 5.0.0.2, 5.0.0.7 en 5.0.0.11 daarvan, betreffende de reiziger zonder geldig vervoerbewijs. Overwegende dat deze ambtshalve toetsing uiteenvalt in twee onderdelen, namelijk allereerst het antwoord op de vraag of de vervoersvoorwaarden van eisende partij wel in overeenstemming moeten zijn met de bepalingen inzake onrechtmatige bedingen en zo ja, vervolgens of ze daarmee daadwerkelijk in overeenstemming zijn.” Uiteindelijk wordt er ambtshalve gevonnist dat de vervoersvoorwaarden van NMBS, ook deze van toepassing wanneer een reiziger zijn rit niet betaalt, getoetst moeten worden in het licht van de leer van de onrechtmatige bedingen, en dat de forfaitaire schadevergoeding van 200 euro die de NMBS eist hiermee strijdig is.

Conclusie

Over de schadevergoeding van 200 eur per inbreuk die de NMBS aanrekent, heerst op heden nog rechtsonzekerheid. Met name is moeilijk te voorspellen of een rechter desgevallend de verhoging van 200 euro -in feite- in strijd acht met de regelen over de onrechtmatige bedingen. Dat de WMPC, ondertussen Boek VI WER, en Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 "betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten" ter zake van toepassing zijn, zou op zich wel geen discussies meer mogen opleveren.

Erkende instellingen voor schuldbemiddeling dienen dus telkens hun cliënten hierover te informeren, om dan samen en in overleg te bepalen welke strategie verder te hanteren, en om desnoods de zaak voor de rechter (te laten) brengen, en hierbij eventueel een beroep te doen op een (pro deo) advocaat. Zeker als dit mogelijks de enige manier is, bij een vonnis in het voordeel van de cliënt, om een collectieve schuldenregeling (alleen voor NMBS-toeslagen) te vermijden, lijkt dit een te verdedigen keuze.