Home > E-Zine > Schuldbriefing nr. 46 (2018)
Klein lettertype instellen Normaal lettertype instellen Groot lettertype instellen
 

Schuldbriefing nr. 46 (2018)

Vlaams Centrum Schuldenlast wordt 'Team schulden' bij SAM: wat verandert er voor jou?

Sinds 1 januari 2018 neemt SAM, steunpunt Mens en Samenleving de opdrachten en taken op van het Vlaams Centrum Schuldenlast. Als ‘Team schulden’ van SAM staan wij voortaan tot je dienst.
 
Dit bood en biedt tal van opportuniteiten — in het bijzonder op het vlak van (interne) expertisedeling en aanzetten tot meer intersectoraal werken (op het terrein). SAM neemt namelijk nog tal van andere thema's op en ondersteunt ook andere actoren naast OCMW's en CAW's. Een voorbeeld van een dergelijke opportuniteit was de (uitverkochte) studiedag op 4 december over 'mensen met (een vermoeden van) een beperking' en 'gezond financieel beheer'.
 
We blijven de OCMW's en CAW's met een erkenning voor schuldbemiddeling onveranderd ondersteunen. Dit zijn de voornaamste ondersteuningsvormen, telkens met contactpersoon:

Wat vind je op onze websites?


1. Op www.vlaamscentrumschuldenlast.be vind je de meer specialistische informatie voor:

  • de schuldbemiddelaars binnen de OCMW's en CAW's
  • andere schuldbemiddelaars, zoals advocaten en gerechtsdeurwaarders.

Het gaat onder andere over:

  • ons VTO-aanbod
  • onze publicaties
  • nieuws over belangrijke rechtspraak, wetswijzigingen, en over beleidsacties die we ten behoeve van de schuldbemiddelaars binnen de sociale sector, en hun cliënten, ondernamen.

Ook andere specialisten, onder meer media, politici en de academische wereld, vinden hier informatie over schuldbemiddeling en aanverwante thema's, zoals de minnelijke en gerechtelijke invordering van schulden. Het gaat onder meer om:

  • memoranda voor verkiezingen
  • resultaten van gespecialiseerd onderzoek.

Mettertijd verhuist deze website naar een andere stek. We houden je natuurlijk tijdig op de hoogte.

2. Personen en organisaties die niet zelf aan 'schuldbemiddeling' (mogen) doen, vinden basisinformatie en tools op het Kennisplein: een kennisdelingsplatform voor de hele welzijnssector.

Hier vind je bijvoorbeeld:

  • brochures die in grote lijnen de collectieve schuldenregeling uitleggen
  • een budgetplanner die elkeen toelaat zijn inkomsten en uitgaven (en schulden) in kaart te brengen.
Neem hier een kijkje op Kennisplein > Schulden


Educatieve video’s tegen overmatige schuldenlast

Financiële educatie en preventie van schuldoverlast is in deze eindejaarsperiode relevanter dan ooit. BudgetInZicht, SAM en Wikifin ontwikkelden drie educatieve video’s met toegankelijke en praktische informatie over overmatige schuldenlast.

Lees er meer over en bekijk de filmpjes


Rapport over de basisregistratie door de erkende instellingen voor schuldbemiddeling

Via de basisregistratie registreren alle erkende instellingen voor schuldbemiddeling jaarlijks het aantal gezinnen in budgethulpverlening en/of schuldhulpverlening. De verwerking van deze gegevens (voorheen door het Vlaams Centrum Schuldenlast en sinds dit jaar door het Team schulden van SAM) leidt tot een rapport dat een globaal overzicht geeft van dat aantal gezinnen, en ook cijfers per type organisatie, per provincie en per gebiedsindeling optekent.
Vanaf dit jaar bevat het rapport ook de tendensen voor

  • het profiel van het cliënteel;
  • de schuldenproblematiek;
  • de daaruit af te leiden beleidssignalen.

Opvallend is de melding van het aantal multiprobleemgezinnen, alleenstaanden en jongeren.
Bovendien toont het rapport aan dat er nood is aan betaalbare huisvesting, strengere gereglementeerde wetgeving, preventie en gerichte zorg.

Download het rapport "Vlaamse gezinnen in budget- en/of schuldhulpverlening: cijfergegevens 2014 - 2017"

Download het bijlagenrapport


Rapport van de zorginspectie over de werking van erkende instellingen voor schuldbemiddeling

Vijftig OCMW’s kregen voor het eerst een inspectie van de Vlaamse overheid voor hun werking als erkende instelling voor schuldbemiddeling. Dat gebeurde van oktober 2017 tot september 2018 door de Afdeling Zorginspectie Welzijn, Gezondheid en Financieel van het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.
Er werd op twee zaken gefocust:

  • Leven de OCMW's de wettelijk vastgelegde erkenningsvoorwaarden na (bv. het gebruik van de 'modelovereenkomst schuldbemiddeling')?
  • Voldoen ze aan de verwachtingen conform het OCMW-decreet en de organieke wet, met focus op de kwaliteit van zorg voor de gebruiker? Hoe waarborgen ze de rechten van de gebruiker: het recht op informatie, het recht op inspraak en participatie, het recht op kwaliteitsvolle hulpverlening, het recht op respectvolle bejegening en het recht op indienen van klachten?

Lees meer hierover op de website van het Departement WVG 

Geïnspecteerde instellingen vinden hier wat van hen verwacht wordt nadat ze hun individueel verslag hebben ontvangen. 
Er zal ook een overzichtsrapport van de inspectieronde worden gepubliceerd
Ook voor niet geïnspecteerde instellingen is dit een nuttig instrument. Het kan hen helpen om hun eigen werking tegen het licht te houden, rekening houdend met wat de Vlaamse overheid verwacht van een erkende instelling voor schuldbemiddeling


Afbetalingsplannen bij de fiscus: nu ook voor een langere termijn dan 12 maanden

De fiscus hanteert sinds 1 december 2016 een nieuwe invorderingsstrategie. Een belangrijk onderdeel daarvan is dat fiscale schulden in principe binnen maximaal twaalf maanden na het ontstaan van de schuld betaald moeten worden. Sinds begin dit jaar heeft de fiscus deze strategie in zekere mate losgelaten.

In maart 2017 klaagde het Vlaams Centrum Schuldenlast (nu Team schulden bij SAM) deze praktijk aan bij de bevoegde minister, samen met andere partners uit het middenveld. We vroegen onder meer:

  • om afbetalingsplannen meer op maat toe te staan, 
  • om er niet van uit te gaan dat iemand die een fiscale schuld niet binnen 12 maanden kan terugbetalen, maar een collectieve schuldenregeling moet aanvragen 

Lees hier onze brief aan de minister van Financiën

Erkende instellingen voor schuldbemiddeling weten: een (ernstige) schuldenproblematiek kan vaak worden opgelost zonder rechterlijke tussenkomst en middels (buitengerechtelijke) schuldbemiddeling, in een traject dat indien nodig ook meerdere jaren in beslag kan nemen. Bovendien moet een collectieve schuldenregeling indien mogelijk worden vermeden. We gaan immers uit van twee principes:

  • een hulpvrager krijgt idealiter de meest passende maar ook de minst ingrijpende hulpvorm aangeboden;
  • een collectieve schuldenregeling is een 'ultimum remedium' voor als het echt niet anders kan. 

Deze brief leverde geen onmiddellijk resultaat op. De fiscus bleef vasthouden aan haar strikte strategie. 

Anderzijds bleek in de praktijk in bepaalde gevallen toch een afwijking mogelijk. Dat was het geval wanneer de fiscale bemiddelingsdienst na een klacht ook oordeelde dat het weigeren van een afbetalingsvoorstel van meer dan 12 maanden onredelijk was, en hij de betrokken ontvanger aanbeval het voorgestelde afbetalingsplan te aanvaarden.

Sinds begin dit jaar heeft de fiscus deze strategie in zekere mate losgelaten. 
Nog steeds is het principe dat fiscale schulden binnen de 12 maanden na hun ontstaan moeten worden betaald. 
Doet men een aanvraag waardoor de schuld volledig zal zijn aanbetaald binnen de 4 maanden na het ontstaan van de schuld, dan zal die nog steeds zonder meer worden aanvaard. 
Bij afbetalingsplannen tot 12 maanden zal men ook nog steeds eerst een meer uitgebreid onderzoek doen naar de middelen en uitgaven van de aanvrager. 
Evenwel is het nu zo dat de aanvrager er in sommige gevallen op wordt gewezen dat hij via een zogenaamde administratieve schuldenregeling (ASR) ook een langer afbetalingsplan kan aanvragen, namelijk:

  • wanneer een langer afbetalingsplan wordt aangevraagd en dit wordt geweigerd;
  • of wanneer vastgesteld wordt dat de schuld niet binnen die termijn kan worden terugbetaald.

En ook andere alternatieven worden dan voorgesteld, zoals:

  • een collectieve schuldenregeling;
  • het onbeperkt uitstel van invordering van fiscale schulden. 

Lees hier de circulaire over deze nieuwe invorderingsstrategie 

SAM is tevreden dat de fiscus haar strategie heeft aangepast. Het is een goede zaak dat ze bijvoorbeeld ook wijst op de mogelijkheid van schuldhulpverlening wanneer ze een afbetalingsplan weigert van meer dan 12 maanden na het ontstaan van de schuld. 
We hebben nog wel enkele bedenkingen:

  • In de circulaire spreekt de fiscus ook over het aangaan van een krediet om de fiscale schuld te voldoen — weliswaar enkel bij tijdelijke betalingsproblemen. Het doet echter uitschijnen dat een krediet aangaan om zijn schulden te voldoen 'normaal' is. Uiteraard vinden wij dit laatste problematisch. 
  • We menen dat de fiscus, naar de burger toe, ook duidelijker mag communiceren over deze nieuwe mogelijkheid. Haar website spreekt nog steeds enkel over afbetalingsplannen die maximaal 12 maanden na het ontstaan van de schuld mogen duren. Daardoor zullen veel burgers volgens ons geen langer afbetalingsplan aanvragen, en bijgevolg ook geen weigeringsbeslissing ontvangen waarin ze gewezen worden op alternatieven zoals ASR.

 


Ombudsdienst gerechtsdeurwaarders van start

Sinds september 2018 is een nieuwe ombudsdienst in werking getreden: de ombudsman gerechtsdeurwaarders. Deze ombudsman is bevoegd om meldingen van particulieren, bedrijven, schuldeisers of schuldenaars te behandelen. Niet alleen de opdrachtgevers van een gerechtsdeurwaarder kunnen dus bij hem terecht, ook schuldenaren bij wie een gerechtsdeurwaarder (minnelijk of gerechtelijk) invordert. Op een onafhankelijke en onpartijdige manier zoekt hij naar een oplossing voor het probleem. De tussenkomst van de ombudsman is gratis. 
Voorwaarde is dat de klager eerst het probleem aangekaart heeft bij de gerechtsdeurwaarder zelf, niet langer dan een jaar geleden. Wordt de klager vertegenwoordigd door een derde, dan moet er een volmacht aangetoond worden.
Men kan bij de ombudsman niet alleen terecht als de wet zou zijn overtreden. Maar ook bijvoorbeeld wanneer een goed gemotiveerd voorstel tot afbetalingsplan op onredelijke wijze geweigerd werd. 

Opvallend zijn de reacties die men van de ombudsman verwachten kan: excuses van de (kandidaat-)gerechtsdeurwaarder, rechtzetting fout/vergissing, kwijtschelding schadebeding en/of intresten, afbetalingsplan, gedeeltelijke betaling, uitstel van betaling, verzoening, gedetailleerde informatie over de afrekening. 

De ombudsman werkt ook mee aan de verbetering van de dienstverlening van de gerechtsdeurwaarders, bijvoorbeeld door aanbevelingen te formuleren in zijn jaarverslag.
Op zijn website kan je online een probleem met een gerechtsdeurwaarder melden. Je kunt ook het procedurereglement inkijken.

Ga naar www.ombudsgdw.be


De fiscale bemiddelingsdienst: uitbreiding bevoegdheden

Al geruime tijd kan men bij de fiscale bemiddelingsdienst terecht voor klachten over de vaststelling en invordering van ‘fiscale schulden’ door de FOD Financiën. Het gaat o.m. over:

  • directe belastingen (personenbelasting, vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting …);
  • btw;
  • registratie- en successierechten;
  • kadastraal inkomen;
  • douane en accijnzen.

De FOD Financiën is in bepaalde gevallen ook belast met de zogenaamde ‘niet-fiscale schuldvorderingen’. In de praktijk betreft het vooral penale boeten en gerechtskosten. Sinds 13 juni 2018 kan je voor de invordering hiervan ook terecht bij de fiscale bemiddelingsdienst. 
Een uitzondering is wanneer het gaat over sommen verschuldigd in het kader van de toepassing van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen (DAVO) bij de FOD Financiën, bijvoorbeeld: 

  • de invordering van door DAVO voorgeschoten onderhoudsgelden bij een onderhoudsplichtige;
  • de terugvordering bij de onderhoudsgerechtigde van onterecht uitbetaalde voorschotten.

Voor geschillen over deze laatste ‘niet-fiscale schuldvorderingen’ kan men dus niet terecht bij de fiscale bemiddelingsdienst. 
Lees er alles over in de Wet van 29 maart 2018 "tot uitbreiding van de opdrachten en versterking van de rol van de fiscale bemiddelingsdienst".


Pro-deo advocaten: geen forfaitaire vergoeding te betalen na uitspraak Grondwettelijk Hof

In september 2016 trad een nieuwe regeling in werking, waarbij voor de rechtzoekende vooral nieuw was dat hij voortaan een 'bijdrage' voor zijn pro-deo advocaat moest betalen. In zijn arrest van 21 juni 2018 heeft het Grondwettelijk Hof deze vernieuwing ongrondwettelijk verklaard. 

Zowel wie volledige als gedeeltelijke kosteloosheid geniet moest een (bescheiden) forfaitaire bijdrage betalen, bij de aanstelling van de pro deo, en wanneer een geschil voor de rechtbank werd ingeleid en per latere eventuele aanleg. 
Er waren enkele uitzonderingen, bijvoorbeeld:

  • voor een persoon die een aanvraag indient om een collectieve schuldenregeling te verkrijgen;
  • wanneer het Bureau voor Juridische Bijstand anders besliste;
  • wanneer de betrokken advocaat uit eigen beweging afzag van de inning van de hierna genoemde nieuwe forfaitaire bijdrage(en.

Voor wie gedeeltelijke kosteloosheid geniet, kwamen deze bijdragen bovenop de reeds bestaande eigen bijdrage afhankelijk van het inkomen. 

In zijn arrest van 21 juni 2018 heeft het Grondwettelijk Hof deze vernieuwing ongrondwettelijk verklaard. Een van de (evidente) overwegingen die tot deze conclusie leidde: "Ten aanzien van een bijstand die bestemd is voor de personen die niet beschikken over de middelen om de aan hun verweer in rechte verbonden kosten zelf ten laste te nemen, is het contradictoir om diezelfde personen een financiële bijdrage te laten betalen teneinde hen te laten bijdragen tot de financiering van die bijstand."
En ook: "De verplichting om aan de advocaat forfaitaire bijdragen te betalen, vormt een aanzienlijke vermindering van de bescherming van het recht op juridische bijstand zoals gewaarborgd bij artikel 23 van de Grondwet, vermindering die niet wordt verantwoord door een reden van algemeen belang en die derhalve in strijd is met de standstill-verplichting die in die bepaling is vervat." 
Vanaf toen, op heden en in de toekomst mogen beide forfaitaire bedragen dus niet meer geïnd worden. 

Volgende vraag is: wat met de forfaitaire bijdragen die ondertussen, sinds september 2016, zijn betaald? Kunnen die nu zomaar worden teruggevorderd? Hierover heeft het Grondwettelijk Hof zich ook uitgesproken: "Teneinde de moeilijkheden te voorkomen die zijn verbonden aan de terugbetaling van de bedragen die, op grond van de gedeeltelijk vernietigde bepaling, door de door het bureau voor juridische bijstand aangestelde advocaten zijn geïnd, dienen de gevolgen van de gedeeltelijk vernietigde bepaling te worden gehandhaafd ten aanzien van de bijdragen die door de advocaten zijn geïnd in de zaken waarvoor de advocaat, op 31 augustus 2018, verslag heeft gedaan aan het bureau voor juridische bijstand overeenkomstig artikel 508/19, §2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek." 

Download hier de informatieve nota van het Grondwettelijk Hof die over deze terugbetaling het volgende stelt: "Concreet betekent dit dat de rechtzoekenden die bijdragen aan hun advocaat hebben betaald met betrekking tot een beëindigde zaak, met andere woorden waarvoor de advocaten verslag zullen hebben uitgebracht aan het bureau voor juridische bijstand op 31 augustus 2018, die bijdragen niet kunnen recupereren. De rechtzoekenden die een of meer bijdragen aan hun advocaat hebben betaald met betrekking tot een zaak die niet is beëindigd, zullen die bijdragen terugbetaald krijgen."


Beëindiging van collectieve schuldenregeling: het lot van de gelden op de rubriekrekening

Het is eigenlijk geen nieuws meer: na beëindiging van een collectieve schuldenregeling moeten de gelden op de rubriekrekening verdeeld worden 'rekening houdend met conventionele of wettelijke reden van voorrang' en dus bijvoorbeeld niet gewoonweg pondspondsgewijs in verhouding tot de omvang van de schuld van de verschillende schuldeisers.
Reeds op 5 januari 2015 besliste het Hof van Cassatie (S.14.00038.F) dit immers, en recent nog eens op 8 januari 2018 (S.16.0031.F), door te stellen dat een verdeling zonder rekening te houden met die redenen van voorrang de wet schendt.
We berichten er nu toch weer even over omdat recent het Grondwettelijk Hof zich ook over de kwestie heeft uitgesproken, en dit geheel in lijn met de arresten van het Hof van Cassatie. 

Lees hier het arrest van 4 oktober 2018 van het Grondwettelijk Hof


Herroeping van de collectieve schuldenregeling: steeds een wachttermijn van 5 jaar van toepassing

Wordt iemands collectieve schuldenregeling herroepen, dan moet die persoon steeds een wachttermijn van 5 jaar in acht nemen om een nieuwe collectieve schuldenregeling te mogen aanvragen. Dat is althans de mening van de meerderheid in de rechtsleer en rechtspraak.
Het arbeidshof te Antwerpen had een afwijkende interpretatie: het meende dat een persoon geen wachttermijn moet respecteren wanneer zijn procedure werd herroepen nog voordat een minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling tot stand kwam. De wachttermijn was alleen van toepassing wanneer iemands procedure werd herroepen nadat een minnelijke aanzuiveringsregeling was gehomologeerd of nadat de arbeidsrechtbank een gerechtelijke aanzuiveringsregeling oplegde.
Deze discussie is ondertussen ten einde: op 12 februari 2018 besliste het Hof van Cassatie (S.17.0047.N/4) dat de interpretatie van het Arbeidshof de wet schendt, omdat de wet dat onderscheid niet maakt. Dat impliceert dat na elke herroeping van een collectieve schuldenregeling de betrokken persoon een wachttermijn van 5 jaar in acht moet nemen alvorens een nieuwe collectieve schuldenregeling te mogen aanvragen.


Collectieve schuldenregeling niet langer toegankelijk voor zelfstandigen die geen 'handelaar' zijn

Sinds 1 mei 2018 is het nieuwe ondernemingsrecht van toepassing, en is ook het faillissementsrecht aangepast. Ons Handboek Schuldbemiddeling zal deze hervormingen verwerken.
Hier focussen we op de gevolgen voor de personen die in aanmerking komen voor een collectieve schuldenregeling. Op 1 november 2018 trad immers art. 254, eerste lid van de wet van 15 april 2018 "houdende hervorming van het ondernemingsrecht" in werking. Dat luidt als volgt: "Vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet dienen in alle wetten, tenzij anders bepaald, de begrippen "handelaar" of "koopman" in de zin van artikel 1 van het Wetboek van koophandel te worden verstaan als "onderneming" in de zin van artikel I.1 van het Wetboek van economisch recht (...)." Aldus moeten we sindsdien art. 1675/2 Gerechtelijk Wetboek als volgt lezen: "Elke natuurlijke persoon, die geen <<onderneming>> is kan, indien hij niet in staat is om, op duurzame wijze, zijn opeisbare of nog te vervallen schulden te betalen en voor zover hij niet kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd, bij de rechter een verzoek tot het verkrijgen van een collectieve schuldenregeling indienen. Indien de in het eerste lid bedoelde persoon vroeger << onderneming >> is geweest, kan hij dat verzoek slechts indienen ten minste zes maanden na het stopzetten van zijn handel of, zo hij failliet werd verklaard, na de sluiting van het faillissement (...)".
Merk hierbij terloops op dat het woord 'handel' ook best vervangen was geweest door 'ondernemingsactiviteit'.
Meer concreet heeft dit gevolgen voor personen die voorheen weliswaar 'zelfstandige' waren maar niet als 'handelaar' konden worden aanzien, en nu wel als 'onderneming' worden beschouwd. Het gaat over landbouwers, ambachtslui, vrije beroepen zoals advocaten, gerechtsdeurwaarders, notarissen, geneesheren en bijvoorbeeld ook zelfstandige zaakvoerders van een BVBA. De nieuwe definitie van ‘onderneming’ conform artikel I.1 van het Wetboek economisch recht wanneer het gaat over ‘natuurlijke personen’ is immers: “iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent”.
Bij ernstige financiële problemen kunnen zij niet langer onmiddellijk een collectieve schuldenregeling aanvragen. Een collectieve schuldenregeling is voor hen pas mogelijk 6 maanden nadat ze gestopt zijn 'onderneming' te zijn, of nadat het faillissement is afgesloten. 


De schuldindustrie: beleidswerk in 2018 vanuit SAM

SAM-medewerker Robin van Trigt ging op 4 juli 2018 naar de hoorzitting in de Commissie Justitie in de Kamer, over het wetsvoorstel 54/2515 ‘tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de niet voor beslag vatbare goederen’. Het Gerechtelijk wetboek bevat een verouderde opsomming van goederen die niet in beslag mogen worden genomen: “een koe, of twaalf schapen of geiten, …, alsmede een varken en vierentwintig dieren van de hoenderhof, met het stro, voeder en graan, nodig voor het strooisel en de voeding van dat vee gedurende één maand”, het zijn bezittingen die vandaag nog bij weinig gezinnen zullen voorkomen. Smartphones, computers en internet maken vandaag wel een essentieel verschil in het op de hoogte zijn en blijven van afspraken, documenten, actuele evoluties.
Van de gelegenheid maakten we gebruik om stelling te nemen voor een verplicht opmaken van een ‘proces-verbaal van niet-bevinding’ wanneer er bij een schuldenaar geen mogelijkheden zijn om een schuld (af) te betalen. Bij een roerend beslag betekent dit dat er onvoldoende voor beslag vatbare goederen zijn om een niet-deficitaire openbare verkoop te organiseren. Op die wijze kunnen steeds nieuwe beslagen met steeds bijkomende deurwaarderskosten worden vermeden, zodat een overzienbare schuld niet ontaardt in een bodemloze put. Voorwaarde is dat duidelijke wettelijke gevolgen aan een dergelijk proces-verbaal worden gegeven:

  • een verbod gedurende een periode (bijvoorbeeld 6 maanden) om nieuw beslag op dezelfde plaats te leggen;
  • geen aanrekening van kosten bij de schuldenaar wanneer een later beslag tot dezelfde conclusie leidt. 

Deze problematiek van hoogoplopende (vooral gerechtelijke) invorderingskosten en de zogenaamde 'schuldenindustrie' kwam ook aan bod tijdens de Pano-uitzending 'Wie verdient er aan uw schulden?' Hierna kondigden de bevoegde ministers Kris Peeters en Koen Geens en staatssecretaris Zuhal Demir aan maatregelen te treffen om een einde aan die praktijken te maken. In dat kader werd ook SAM ontvangen op de respectieve kabinetten om de mogelijkheden te overlopen, waarvan een verplicht Proces-verbaal van niet-bevinding er maar eentje is.

Tot nog toe zijn er nog geen nieuwe wetten ter zake gestemd. Wordt dus zeker nog verder opgevolgd door SAM. 


Guidelines om de kredietwaardigheid te controleren

De minister bevoegd voor Consumentenzaken, Kris Peeters, vaardigde onlangs voor de kredietsector "Guidelines over de kredietwaardigheidsbeoordeling van een consument, in het kader van de toekenning van een consumentenkrediet" uit. Een van de doelstellingen is overmatige schuldenlast tegen te gaan. Onder meer het Vlaams Centrum Schuldenlast (nu SAM) werd daarom geconsulteerd voor de publicatie van deze richtlijnen. 

Het resultaat heeft zeker zijn goede kanten. Enkele voorbeelden.

  • De richtlijn verduidelijkt dat men naast de inkomsten eigenlijk ook het hele uitgavepatroon van de aanvrager in beeld moet brengen, wanneer men zijn kredietwaardigheid wil nagaan en wil inschatten of hij het krediet kan terugbetalen. Dat kan gebeuren door te polsen naar reële bedragen ter zake of door te werken met forfaits.
    Een gangbare praktijk waarbij men bijvoorbeeld enkel naar de huur/hypothecaire en alimentatieverplichtingen vraagt, kan volgens deze richtlijnen dus niet door de beugel. Een kredietgever kan er immers niet uit afleiden dat de aanvrager na toekennen van het krediet nog voldoende inkomen overhoudt om 'menswaardig' te leven. Hij (en zijn gezin) moeten immers ook nog eten en drinken kopen, energie- en telecomfacturen betalen enzovoort. 
  • Het is goed dat er 'signalen' genoemd worden die een tegenindicatie zijn dat iemand kredietwaardig is, zoals een maximaal gebruik van een kredietopening, laattijdige aflossingen, of het aangaan van meerdere kredieten op korte termijn. 
  • Positief is dat een 'passend krediet' bij aankoop van een product moet overeenstemmen met het bedrag van die aankoop. De kredietgever mag de consument dus niet voorstellen het kredietbedrag te verhogen tot de maximale last die hij kan dragen.
  • Ook interessant is dat de kredietgever (krachtens de wet) desgevallend moet bewijzen dat hij grondig en zorgvuldig de kredietwaardigheid van de aanvrager heeft onderzocht. Bij kredieten vanaf 500 euro moet er gewerkt worden met een vragenlijst ter zake (of een geluidsopname in bepaalde gevallen) die integraal bewaard moet blijven tot de volledige terugbetaling van het krediet. 

Inbreng die wij gaven, maar die niet is gevolgd, ging onder meer over: 

  • een verplichting voor de consument om bepaalde inkomsten/uitgaven met bewijsstukken te staven (en om voor die posten dus zeker niet met forfaits te werken);
  • het voordeel van eenzelfde standaard-vragenlijst voor alle kredietgevers;
  • de invulling van het begrip 'menswaardig inkomen' (en het bepalen van de minimale forfaits voor bepaalde uitgaven) conform de referentiebudgetten van CEBUD (Centrum voor Budgetadvies en onderzoek). 
    Zie www.menswaardiginkomen.be 

Verder is het nu afwachten of ook de rechtspraak deze richtlijnen zal hanteren wanneer ze in concreto moet interpreteren en beoordelen of een kredietgever voldoende zorgvuldig de kredietwaardigheid heeft nagegaan. Voor 'soft law' is dat niet per se het geval. Rechters kunnen oordelen dat een kredietgever die 'minder' gedaan heeft, een krediet 'toch' zorgvuldig heeft toegekend. Of omgekeerd, dat een kredietgever die de richtlijnen volgde, 'toch' de kredietwaardigheid niet zorgvuldig genoeg heeft beoordeeld (bv. door geen enkel bewijsstuk op te vragen).

SAM-medewerker Min Berghmans kwam over dit thema onlangs aan het woord bij ‘De inspecteur’" op Radio 2.


Dag Zonder Krediet 2018

23 november was alweer de vijftiende Dag Zonder Krediet. Deze dag valt niet geheel toevallig samen met Black Friday, de dag waarop in Amerika, en sinds enkele jaren ook bij ons, een heuse koopjesgekte losbarst: enorme kortingen worden aangeboden en ook krediet om dit allemaal te bekostigen. 
Net daarom maakt het platform Dag Zonder Krediet precies in deze periode haar jaarlijkse aanbevelingen bekend. De Dag Zonder Krediet wil waarschuwen voor mooie praatjes en verkooptrucjes die aanzetten tot onnodige consumeren, en wil vooral ook de boodschap meegeven dat gratis krediet niet bestaat.
Zo staat ook de strijd tegen overmatige schuldenlast die dag centraal. In 2018 gaan de aanbevelingen over twee onderwerpen: moeilijkheden en gevaren bij hergroeperingskredieten; en bankkosten.

Ga naar de aanbevelingen 2018 van de Dag Zonder Krediet