Home > E-Zine > Schuldbriefing nr. 44
Klein lettertype instellen Normaal lettertype instellen Groot lettertype instellen
 

Schuldbriefing nr. 44

Bedragen en tarieven stijgen in 2016, behalve de wettelijke interest en de maximale JKP’s

Naast goede voornemens brengt het nieuwe jaar traditiegetrouw ook de indexatie van heel wat bedragen en tarieven met zich mee. Enkele belangrijke nieuwe bedragen/tarieven voor schuldbemiddelaars zijn:

  • Wettelijke rentevoet: voor het jaar 2016 zakt de wettelijke rentevoet van 2,50 % naar 2,25 % (bron: Belgisch Staatsblad van 18 januari 2016).
  • Bescherming tegen beslag en overdracht: het volledig beschermde gedeelte van de inkomsten stijgt in 2016 naar 1.073 euro (in 2015 was dit 1.069 euro). Boven 1.391 euro zijn de inkomsten in 2016 volledig beslagbaar (in 2015 was dit 1.386 euro). De beslagschrijven voor de tussenliggende bedragen kan je hier (pdf, 204 KB) downloaden. De bijkomende bescherming per kind ten laste (66 euro) blijft gehandhaafd (bron: Koninklijk besluit van 14 december 2015 “tot uitvoering van artikel 1409, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek”, Belgisch Staatsblad van 17 december 2015).
  • Inkomensgrenzen voor een “kind ten laste” (i.h.k.v. de bescherming tegen beslag en overdracht): vanaf 1 januari 2016 gelden volgende inkomstengrenzen (bron: Belgisch Staatsblad van 17 december 2015):

► 3.042 euro indien de ouder samenwonend is (in 2015: 3.031 euro);

► 4.394 euro indien de ouder alleenstaand is (in 2015: 4.377 euro);

► 5.571 euro indien het  kind het statuut van gehandicapte heeft (in 2015: 5.550 euro).

  • Gerechtsdeurwaarderstarieven (gerechtelijke invorderingen): de tarieven die gerechtsdeurwaarders mogen aanrekenen in het kader van een gerechtelijke invordering (K.B. van 30 november 1976) stijgen in 2016 lichtjes. Een aanmaning met dreiging kost in 2016 14,66 euro (voor invorderingen tot 124,99 euro) of 17,34 euro (voor invorderingen vanaf 125 euro). Het inningsrecht bedraagt in 2016 minimaal 11,71 euro en maximaal 116,20 euro. Voor afbetalingen aan een gerechtsdeurwaarder betaal je in 2016:

► afbetalingen tot 24,99 euro: 2,42 euro;

► afbetalingen tussen 25 en 124,99 euro: 4,05 euro;

► afbetalingen tussen 125 en 249,990 euro: 6,67 euro;

► afbetalingen tussen 250 tot 494,99 euro: 11,71 euro;

► afbetalingen tussen 495 tot 744,99 euro: 25,06 euro;

►afbetalingen boven 745 euro: 33,20 euro.

Lees hier alle geïndexeerde tarieven van de “akten verricht door de gerechtsdeurwaarders in burgerlijke en handelszaken (pdf, 118 KB)” (bron: Belgisch Staatsblad van 28 december 2015).

  • Toepassingsgebied wetgeving consumentenkrediet - uitzondering voor sommige kredietkaarten: het bedrag voorzien in artikel VII. 3, § 2, 3° van het Wetboek van economisch recht (het vroegere art. 3, §1, 3° van de Wet Consumentenkrediet) bedraagt vanaf 1 januari 2016 4,50 euro (in 2015: 4,44 euro) (bron: Belgisch Staatsblad van 12 januari 2016).
  • Aangepaste maximale jaarlijkse kostenpercentages (JKP’s) vanaf 1 december 2015: vanaf 1 december 2015 daalt het maximale JKP voor de verkopen en leningen op afbetaling van meer dan 5.000 EUR van 10,50 % naar 10 %. Het maximale JKP voor een financieringshuur van meer dan 5.000 EUR daalt eveneens, van 8,50 % naar 8 %. De overige maximale JKP's wijzigen niet (bron: Belgisch Staatsblad van 12 oktober 2015). Download hier (pdf, 265 KB) de tabel met alle maximale JKP’s vanaf 1 december 2015.
  • Maximale prijs basis-bankdienst: de maximale prijs voor de basis-bankdienst wordt vanaf 1 januari 2016 vastgesteld op 15,17 euro (in 2015: 14,94 euro) (bron: Belgisch Staatsblad van 27 januari 2016).
  • Inkomensvoorwaarde sociale huur: in 2016 gelden volgende inkomensgrenzen (bron: agentschap Wonen-Vlaanderen):

► 23.533 euro voor een alleenstaande persoon zonder personen ten laste;

► 25.504 euro voor een alleenstaande persoon met een handicap;

► 35.298 euro in alle andere gevallen, verhoogd met 1.973 euro per persoon ten laste.


Eerste hulp bij schulden: op pad met een schuldbemiddelaar

Het werk dat budget- en schuldhulpverleners dagdagelijks verrichten, is bij het brede publiek niet echt gekend. Om hier verandering in te brengen, keek De Standaard journaliste Ann-Sofie Dekeyser enkele dagen mee over de schouders van schuldbemiddelaar Tina Pieters (CAW Oost-Vlaanderen). Haar bevindingen resulteerden in het artikel “Eerste hulp bij schulden: op pad met een bemiddelaar” dat het voorbije weekend in DS Weekblad (bijlage bij De Standaard) opgenomen werd. “Tina’s baan is een evenwichtsoefening, op zoek naar de balans tussen medeleven en strengheid. Tussen paternalisme en laten begaan.” schrijft zij hierin onder meer. Wie het integrale artikel nog niet las, kan dit hier (pdf, 2.2 MB) downloaden. Met dank aan journaliste Ann-Sofie Dekeyser en aan De Standaard voor de toestemming om dit artikel te verspreiden!


Kunnen gerechtsdeurwaarderstarieven aangerekend worden op basis van een clausule in de algemene voorwaarden?

Schuldbemiddelaars krijgen in hun praktijk regelmatig te maken met gerechtsdeurwaarders die kosten en interesten aanrekenen bij de minnelijke invordering van schulden. Sinds een wetswijziging in 2009 is het in dit verband duidelijk dat gerechtsdeurwaarders niet zomaar hun eigen tarieven (K.B. van 30 november 1976) mogen aanrekenen voor minnelijke invorderingen. Net zoals andere minnelijke invorderaars, mogen ook gerechtsdeurwaarders op basis van art. 5 Wet Minnelijke Invordering enkel nog die kosten en interesten aanrekenen die in de overeenkomst tussen schuldenaar en schuldeiser zijn opgenomen. In Richtlijn 2013/001 (pdf, 67 KB) benadrukte de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders van België dat deze bepaling o.m. tot gevolg heeft dat het aanrekenen van innings- en kwijtingsrechten bij minnelijke invorderingen uitdrukkelijk verboden is.

Schadevergoedingen wegens laattijdige betaling die in (de algemene voorwaarden van) de overeenkomst opgenomen zijn, mogen uiteraard wel aangerekend worden door gerechtsdeurwaarders die aan minnelijke invordering doen. Als schuldbemiddelaar kan je hierop een controle uitoefenen door na te gaan of clausules die een schadevergoeding bevatten tegenstelbaar en rechtsgeldig zijn (o.m. wederkerig, gelijkwaardig en niet onevenredig hoog). Maar wat als je bij deze controle vaststelt dat het contract of de algemene voorwaarden een clausule bevat(ten) die stelt dat laattijdige betaling aanleiding geeft tot het aanrekenen van de gerechtsdeurwaarderstarieven die opgenomen zijn in het K.B. van 30 november 1976? Is dit een schadevergoeding die in de overeenkomst opgenomen is en bijgevolg wel toegelaten is door art. 5 Wet Minnelijke Invordering?

De Commissie voor Onrechtmatige Bedingen heeft zich hierover onlangs uitgesproken in haar "Advies inzake schadebedingen en minnelijke invordering". De conclusie van dit advies luidt als volgt:
 
"Doen schuldeisers een beroep op gerechtsdeurwaarders voor de minnelijke invordering van onbetaalde schulden, en wordt als invorderingskost de voor de ambtelijke taken gereglementeerde tarieven van deze gerechtsdeurwaarders aangerekend in de minnelijke fase, dan kan dit enkel indien in de onderliggende overeenkomst duidelijke bedragen werden overeengekomen in geval van niet-(tijdige) betaling. Een algemene verwijzing, in de onderliggende overeenkomst, naar het K.B. van 30 september 1976 “tot vaststelling van het tarief voor akten van gerechtsdeurwaarders in burgerlijke en handelszaken en van het tarief van sommige toelagen” is in dit opzicht zeker niet voldoende."
 
Om tot deze conclusie te komen, verwijst de Commissie o.m. naar:
 
  • De wettelijke verplichting die stelt dat geschreven clausules op een duidelijke en begrijpelijke wijze opgesteld moeten zijn (art. VI.37, § 1 Wetboek Economisch Recht). In dit verband is de Commissie heel streng voor algemene verwijzingen naar het K.B. van 30 november 1976: "Zoals ook blijkt uit de geciteerde rechtspraak van het Hof van Justitie, is een dergelijke verwijzing naar tarieven vastgesteld in een wettelijke regeling niet voldoende in het licht van de vereiste van duidelijkheid en begrijpelijkheid: de consument moet minstens weten en kunnen voorzien waaraan hij zich mag verwachten. Een algemene verwijzing naar een K.B. waar minstens 3 pagina’s lang talloze tarieven worden opgesomd die de vergoeding van alle wettelijke taken van gerechtsdeurwaarders regelen voldoet hier kennelijk niet aan. Slechts een beding waarbij cijfermatig wordt vermeld over welke bedragen het gaat, of waar die bedragen op basis van de (onderliggende) overeenkomst bepaalbaar zijn, kan als voldoende duidelijk worden beschouwd.

 

  • Artikel 3, vierde streepje van de Wet Minnelijke Invordering, dat van toepassing is op iedere minnelijke invordering (ongeacht of dit gebeurt door de oorspronkelijke schuldeiser of iemand die dit beroepsmatig doet). Deze bepaling verbiedt de inning van “niet voorziene of niet wettelijk toegestane bedragen”. Deze bewoordingen kunnen volgens de Commissie zo worden gelezen dat de invordering van bedragen die niet becijferd kunnen worden, noch krachtens de overeenkomst waar de niet-betaling uit voorkomt, noch krachtens de wet, niet toegestaan is

 

  • Artikel 5 Wet Minnelijke Invordering, dat duidelijk bepaalt dat het voor een incassokantoor, een advocaat, een gerechtsdeurwaarder of een gerechtelijk mandataris verboden is om andere bedragen te vorderen dan de “overeengekomen bedragen” in de overeenkomst die gesloten werd tussen de schuldeiser voor wiens rekening zij handelen, en de in gebreke zijnde consument. De term “overeengekomen bedragen” duidt er volgens de Commissie op dat enkel de reeds in de overeenkomst becijferde bedragen of de bedingen in de overeenkomst waar de parameters voor berekening (percentage, berekeningsbasis, …) verduidelijkt werden minnelijk ingevorderd kunnen worden aan de consument. Enkel de kosten die als schadebeding in de initiële overeenkomst voorkwamen kunnen dus worden gevorderd.
 
De Commissie verwijst ook naar de verplichtingen waaraan schadebedingen moeten voldoen (wederkerigheid, gelijkwaardigheid, niet onevenredig hoog) en past deze principes vervolgens toe op een aantal concrete voorbeelden. Lees hier het integrale "Advies inzake schadebedingen en minnelijke invordering (pdf, 192 KB)".

 


Fiscale Bemiddelingsdienst bereikt een akkoord in 74 % van de voorgelegde geschillen

Heel wat schuldhulpverleners hebben inmiddels beroep gedaan op de Fiscale Bemiddelingsdienst, een autonome en onafhankelijke dienst binnen de FOD Financiën. Ook het Vlaams Centrum Schuldenlast zelf staat in nauw contact met deze dienst, die ook wel de “fiscale oplossingsdienst” wordt genoemd.  De Fiscale Bemiddelingsdienst doet immers niet alleen aan pure bemiddeling inzake fiscale geschillen, maar adviseert ook inzake overmatige fiscale schuldenlast of deblokkeert in de mate van het mogelijke belastingteruggaven.

Voor zij die deze dienst nog niet hebben ontdekt, bevelen wij graag het jaarverslag 2015 (pdf, 2.63 MB) van deze dienst aan.

De Fiscale Bemiddelingsdienst gaat er in dit jaarverslag prat op in 74% van de voorgelegde fiscale meningsverschillen een bemiddeld akkoord te kunnen bereiken.

Belangrijk is te vermelden dat deze dienst niet enkel bevoegd is voor de invorderingsproblematiek van fiscale schulden, maar ook daadwerkelijk een meerwaarde biedt bij de behandeling van bezwaarschriften over de gegrondheid van de belasting inzake bv. de personenbelasting.

De Fiscale Bemiddelingsdienst neemt hierbij immers ruim zijn rol op om de standpunten van de partijen te verduidelijken, brengt voorstellen voor een oplossing aan en zorgt voor een evenwicht in de fiscale kennis van -enerzijds- de verzoeker (die niet noodzakelijkerwijze een fiscaal expert is) en -anderzijds- de fiscale administratie.

In het jaarverslag 2015 wordt per fiscale materie niet alleen stilgestaan bij de cijfergegevens, maar wordt ook het type verzoeken en de manier van werken toegelicht aan de hand van voorbeelden, verduidelijkt met trefwoorden (specifiek inzake de fiscale invordering, zie pag. 139 en volgende).

De Fiscale Bemiddelingsdienst blikt ook vooruit op een aantal in 2016 te verwachten belangrijke wijzigingen die de rol van deze dienst en de fiscale bemiddeling in het algemeen nog moeten versterken. Zo wordt niet alleen verwezen naar de invoering van de schorsende werking van de bemiddelingsprocedure, maar ook naar een uitbreiding van de mogelijkheden van bemiddeling tot de niet-fiscale invordering (bijvoorbeeld penale boeten) en de bevoegdheid om kwijtschelding van belastingverhogingen en boeten te kunnen verlenen. Wordt ongetwijfeld vervolgd.

De ervaring leert ons dat de Fiscale Bemiddelingsdienst een open portaal is waarin ook informeel -en nog voor de indiening van het verzoek om bemiddeling- kan worden afgestemd naar de mogelijkheden die de fiscaal bemiddelaars in het specifieke meningsverschil kunnen bieden. Dit kan gerust  telefonisch (0257/62360) of per e-mail: fiscaal.bemiddelaars@minfin.fed.be


Verstrengde regels pro deo: ook gevolgen voor personen met overmatige schuldenlast

Vandaag, 1 september 2016, treedt een nieuw systeem van zogenaamde “juridische tweedelijnsbijstand” in werking. Dit regelt wie onder welke voorwaarden in aanmerking komt voor een zgn. “pro deo” advocaat. In de pers is er vooral aandacht voor de vernieuwingen m.b.t. de vergoeding die een pro deo advocaat krijgt voor zijn prestaties (in het kader van asielprocedures). De vernieuwingen van het “pro deo” systeem gaan evenwel verder en raken ook de positie van de minvermogende burger die beroep wil doen op een advocaat.

Een eerste belangrijke vernieuwing is dat een pro deo advocaat niet altijd meer volledig gratis is. Vanaf vandaag moet je immers een “remgeld” van 20 euro betalen per aanstelling van een pro deo advocaat en nog eens 30 euro per gerechtelijke procedure waarbij deze advocaat eventueel zou optreden (per “aanleg”). Slechts in een beperkt aantal omschreven gevallen (bv. bij minderjarigen of voor de opstart van een procedure collectieve schuldenregeling) is een vrijstelling van deze bedragen toepasselijk.

Als slechts een “gedeeltelijke” kosteloze juridische tweedelijnsbijstand wordt toegekend rekening houdende met de financiële toestand van betrokkene (zie hieronder voor vernieuwingen op dit vlak), moet hierbovenop ook een bedrag tussen 25 en 125 euro aan de pro deo advocaat betaald worden.

Ook nieuw is dat de inkomsten en het vermogen steeds in rekening worden gebracht bij het onderzoeken van de vraag of iemand recht heeft op een pro deo advocaat. Het automatische recht op een pro deo advocaat voor bepaalde categorieën (bv. leefloners of gedetineerden) werd geschrapt. Indien blijkt dat een aanvrager toch zelf voldoende middelen heeft om een advocaat te betalen, maakt hij/zij geen aanspraak meer op een pro deo advocaat. Hierbij wordt niet enkel gekeken naar het reguliere netto-maandinkomen maar bv. ook naar spaargelden, opbrengsten uit onroerende goederen, enz… Ook “tekenen en aanwijzingen waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven bestaansmiddelen” (bv. een luxewagen) worden mee in rekening gebracht. De kinderbijslag en de enige en eigen woning worden echter buiten beschouwing gelaten. Dit geldt nu dus ook voor de doelgroepen die vroeger steeds recht hadden op een pro deo advocaat (bv. leefloners of gedetineerden). Alleen de minderjarigen vormen hierop een uitzondering: zij kunnen nog altijd beroep doen op een pro deo advocaat ongeacht hoe hun financiële situatie eruit ziet.

Voor personen met een overmatige schuldenlast, leiden deze vernieuwingen tot het volgende:

  • Voor de opstart van een collectieve schuldenregeling (opmaak verzoekschrift), zal dus ook bij hen gekeken worden naar de inkomsten, het vermogen èn eventuele tekenen/aanwijzingen waaruit een “hogere graad van gegoedheid blijkt” teneinde te bepalen of zij al dan niet recht hebben op een pro deo advocaat.
  • Net zoals vroeger het geval was, wordt bij de bepaling van de inkomstengrenzen voor het recht op een pro deo advocaat nog steeds rekening gehouden met “de lasten die voortvloeien uit een buitengewone schuldenlast”.
  • Indien een persoon met overmatige schuldenlast aldus recht zou blijken te hebben op een pro deo advocaat, zal hij/zij voor de opmaak van een verzoekschrift collectieve schuldenregeling de hierboven vermelde forfaitaire vergoedingen niet moeten betalen.
  • Opvallend: personen die reeds toegelaten zijn tot de collectieve schuldenregeling, worden niet meer vermeld als bijzondere categorie. Het loutere statuut “collectieve schuldenregeling” volstaat dus niet meer om aanspraak te maken op een pro deo advocaat.

Voor een meer gedetailleerde bespreking van de nieuwe regels rond het recht op een pro deo advocaat, klik hierna voor het document “Juridische  weedelijnsbijstand (“pro deo” advocaat): nieuwe regels vanaf 1 september 2016 (pdf, 321 KB)”.

Tot slot wijzen we jullie ook graag op de recente mogelijkheid om via de website van de Orde van Vlaamse Balies (www.advocaat.be) gericht een advocaat te zoeken volgens de zoektermen “schulden”, “schuldbemiddelaar”, “collectieve schuldenregeling” en/of “schuldbemiddeling”. Merk wel op dat deze website in de rubriek “Consumenten en geldproblemen” enkel de procedure collectieve schuldenregeling vermeldt. Schuldenproblemen kunnen in de praktijk uiteraard ook op een andere manier opgelost worden, bv. via betalingsfaciliteiten (wetgeving consumentenkrediet) of via een “onbeperkt uitstel van invordering” (belastingschulden). Op de website van de Orde van Vlaamse Balies vind je overigens ook de “Codex Deontologie voor Advocaten 2.0 (pdf, 828 KB)” terug, deze treedt ook vandaag in werking. In art. 89 hiervan kan je bv. lezen: “De advocaat die geconsulteerd wordt door een cliënt en vermoedt of weet dat de cliënt in aanmerking komt voor juridische tweedelijnsbijstand, is verplicht de cliënt hierover te informeren.


Kinderopvang, een overbodige uitgave wanneer de ouders niet werken?

Het Vlaams Centrum Schuldenlast ontving het signaal dat sommige schuldbemiddelaars de kosten van kinderopvang schrappen wanneer de ouders niet werken. Aangezien er heel wat schulden af te betalen zijn, lijkt een bijkomende kost voor kinderopvang immers geen prioriteit voor deze schuldbemiddelaars.

Nochtans heeft kwaliteitsvolle kinderopvang belangrijke effecten op het leven van kinderen en ouders uit kwetsbare gezinnen en is het belangrijk om hier als schuldbemiddelaar bij stil te staan. Actueel wetenschappelijk onderzoek toont aan dat kwalitatieve kinderopvang een belangrijke rol speelt bij het bestrijden van kinderarmoede. Naast de economische functie van kinderopvang spelen ook de pedagogische en sociale functie. Het al dan niet ruimte geven aan kinderopvang bij een schuldbemiddelingsdossier, moet dus ook bekeken worden in een sociale context.

Om schuldbemiddelaars hierover te informeren en te sensibiliseren, schreef VVSG-stafmedewerker kinderopvang Sofie Delcourt de nota “Belang kinderopvang en rol schuldbemiddelaars hierbij”. In deze nota (pdf, 195 KB) lees je meer over het belang van kinderopvang voor kinderen en hun ouders en de rol van het OCMW bij toegankelijke en betaalbare kinderopvang (het zogenaamde “OCMW-tarief”). Daarnaast komt ook de tool “Kind in Beeld – inkomenstarief” aan bod, dit is een instrument dat professionals kan ondersteunen bij het toeleiden van gezinnen naar kinderopvang. Mocht je na lectuur hiervan nog vragen hebben, dan  kan je mailen naar sofie.delcourt@vvsg.be.


Nieuwe reclamewijze games helpen kinderen omgaan met subtiele reclamevormen

Financiële educatie van jongeren is één van de thema’s waarop het Vlaams Centrum Schuldenlast (VCS) en de BIZ-samenwerkingsverbanden, in het kader van hun schuldpreventieopdracht, sterk willen inzetten. Een belangrijk onderdeel van deze financiële educatie is het verhogen van de reclamewijsheid van jongeren.

Ter herinnering: reclamewijsheid verwijst naar de vaardigheden en kennis die nodig zijn om reclames op een bewuste manier te verwerken. Dit betekent reclame herkennen, maar ook de commerciële bedoelingen erachter begrijpen en bewust nadenken over reclame (welke strategie gebruiken de reclamemakers? welke emoties wekt deze reclame bij mij op? vind ik deze reclame eerlijk?). Als kinderen de commerciële bedoeling van reclame niet begrijpen, worden ze er onbewust door beïnvloed, wat kan leiden tot impulsieve en onnodige aankopen of kind-ouder-conflicten.

In het kader van bovenvermelde doelstelling werkt het VCS als stakeholder mee aan het vierjarig interdisciplinair onderzoeksproject “AdLit” (Advertising Literacy).  Nieuw onderzoek van AdLit toont aan dat kinderen tussen 7 en 12 jaar nog geen neus voor nieuwe reclamevormen hebben ontwikkeld. Deze nieuwe reclamevormen (o.m. advertenties in games) integreren de commerciële inhoud in de media-inhoud, zijn vaak interactief, gepersonaliseerd en heel leuk. Hierdoor is het voor kinderen moeilijk om deze inhoud te herkennen als reclame en er bewust over na te denken. Het positieve gevoel dat ze bij die media-inhoud hebben, dragen ze klakkeloos over naar het merk waarvoor reclame wordt gemaakt. Kinderen hebben dus zeker reclamewijsheid nodig om op een bewuste manier om te gaan met reclame.

Om deze reden lanceerde AdLit het voorbije weekend een nieuwe reeks mini-games die de reclamewijsheid van kinderen tussen 6-10 jaar en hun ouders willen verhogen. De bedoeling van deze games is dat kinderen samen met hun ouders nieuwe vormen van reclame leren herkennen en de overtuigingsstrategieën leren begrijpen. “Snuffel”, de mascotte van deze games, geeft bij elk spel meer uitleg over reclamewijsheid. Ook werden er door AdLit bijhorende flyers voor ouders gemaakt. Klik hierna voor een voorbeeld van zo een flyer (pdf, 1.27 MB). Deze folders bevatten o.m. tips die aangeven hoe zij hun kinderen reclamewijs kunnen maken.

Als je een schuldpreventieactiviteit met kinderen en/of gezinnen wil organiseren, kunnen we jou deze games van harte aanbevelen. De games zijn gratis te spelen op reclamewijs.ugent.be.

Mocht je hier nog vragen of suggesties bij hebben, dan kan je mailen naar .


Meld jij inbreuken nog aan de Economische Inspectie?

In 2015 voerde de Economische Inspectie 35.416 controles uit, dat zijn er 8 % meer dan in 2014. Deze controles leidden tot 2.888 waarschuwingen en 3.746 processen-verbaal. Net als in 2014 werden in 1 op de 5 controles inbreuken vastgesteld. Hiernaast ontving de Economische Inspectie in 2015 ook 16.197 meldingen van consumenten, ondernemingen, organisaties en diverse overheden, dit is een daling met 2 % t.o.v. 2014. Top 2 van de meldingen betrof respectievelijk renovatie- en onderhoudswerken aan de woning (970 meldingen) en onlinediensten (836 meldingen), waaronder een groot deel spam. Deze cijfergegevens en veel meer andere informatie over de werking van de Economische Inspectie in 2015, kan je lezen in het gisteren gepubliceerde jaarverslag 2015 van de Economische Inspectie (pdf, 6.34 MB).

Dit jaarverslag besteedt o.m. aandacht aan klachten betreffende de financiële sector. Opvallend is dat het aantal behandelde klachten over deze sector daalde van 467 in 2014 naar 390 in 2015 (- 16 %). Ook het aantal klachten betreffende onlinehandel en -reclame daalde van 2.487 in 2014 naar 2.242 meldingen in 2015 (- 10 %). Dit kan mogelijks (deels) verklaard worden doordat medewerkers van erkende instellingen voor schuldbemiddeling minder klachten doorstuurden namens hun cliënten. Het Vlaams Centrum Schuldenlast benadrukt in dit verband dat het belangrijk is (mogelijke) wanpraktijken te blijven melden. Ook al ontvang je niet (onmiddellijk) genoegdoening in jouw concreet geval, dit kan er wel toe bijdragen dat de Economische Inspectie systematische inbreuken detecteert, met eventueel waarschuwingen en/of processen-verbaal tot gevolg. Het indienen van voldoende klachten kan ook helpen om wetgevingen te evalueren. Het Vlaams Centrum Schuldenlast ontving van een OCMW recentelijk bijvoorbeeld het bewijs dat een kredietmaatschappij geen (apart) kredietinformatieformulier hanteert bij het toekennen van consumentenkredieten, alhoewel de wetgeving consumentenkrediet dit sinds 2015 wel oplegt. Als dit soort inbreuken systematisch aan de Economische Inspectie gemeld wordt, kan dit leiden tot onderzoeken die het gedrag van betrokken kredietmaatschappijen kunnen wijzigen.

Als je een concrete bemiddeling wil in een individueel dossier, kan je overigens beroep doen op een ombuds- of bemiddelingsdienst. Heel wat van deze diensten publiceerden recentelijk hun jaarverslag 2015:

 


Nee tegen gemakkelijk krediet op dertiende “Dag Zonder Krediet”

Naar aanleiding van de 13e editie van de Dag Zonder Krediet, die dit jaar doorgaat op zaterdag 26 november 2016, waarschuwt het platform Dag Zonder Krediet (30 organisaties, waaronder het Vlaams Centrum Schuldenlast en de 11 BudgetInZicht samenwerkingsverbanden) tegen de gevaren van gemakkelijk krediet. Krediet is tegenwoordig immers alomtegenwoordig in onze samenleving. Niet alleen klassieke bankinstellingen bieden krediet in hun kantoren aan. Ook via het internet, in grootwarenhuizen, in elektrowinkels, online, enz. wordt tegenwoordig krediet aangeboden. Vaak onder het motto “Nu kopen, later betalen”. Zeker voor personen in een financieel zwakke positie betekent dit tal van verleidingen waartegen zij keer op keer weerstand moeten bieden. En willen deze personen dan uiteindelijk een krediet aangaan, dan blijken de kredietverstrekkers het niet steeds even nauw te nemen met het verplichte solvabiliteitsonderzoek, noch met de raadgevingsplicht, noch met de verplichting om het krediet te weigeren indien de consument niet solvabel genoeg is.

De verleiding om krediet aan te gaan wordt nog groter wanneer in reclames gesproken wordt over kredieten met “0% JKP”. Op zich kan dit een goede zaak zijn, wanneer men enkel het ontleend bedrag moet terugbetalen in schijven zonder extra kosten of intresten, althans, wanneer de terugbetalingen binnen het (gezins)budget passen. Het komt echter ook vaak voor dat de consument bij dergelijk aanbod onbewust ook een betalende kredietopening aangaat, waarbij hij enkel voor de eerste aankoop 0% kosten of intresten moet betalen maar nadien wel hoge kosten moet betalen bij het gebruik van deze kredietopening. Bijzonder problematisch is dat de consument hierover niet steeds duidelijk geïnformeerd wordt bij het aangaan van het kredietcontract en de eerste aankoop, en hij nadien bovendien bestookt wordt met individuele reclameboodschappen die hem aanzetten tot het (verhogen en) gebruiken van zijn “geldreserve”.

Dit soort misbruiken moet actiever opgespoord en strenger gesanctioneerd worden. Vandaar dat het Platform “Dag Zonder Krediet” ervoor pleit dat de Economische Inspectie meer controles moet uitvoeren op dergelijke misleidende “0%-JKP” aanbiedingen. Deze inspectie moet ook proactief nagaan (o.m. via “mysterie-shoppers”) of de kredietverstrekkers hun verschillende verplichtingen correct naleven. Ook het aansporen van consumenten om van een bestaande kredietopening gebruik te maken, of om het kredietplafond te verhogen, zou verboden moeten worden.

De aanbevelingen 2016 van het Platform “Dag Zonder Krediet” behandelen ook nog andere onderwerpen die de (zwakkere) consument beter willen beschermen, onder meer de aanbeveling om misbruiken bij het toekennen van een schuldsaldoverzekering beter aan te pakken. Surf naar www.dagzonderkrediet.be/aanbevelingen om de integrale versie van deze aanbevelingen te downloaden. Deze aanbevelingen behandelen ook volgende materies: het verbeteren van de verplichte opleiding voor kredietbemiddelaars, het aanpassen van de regeling inzake de “nulstellingstermijn” bij kredietopeningen, het voorzien van meer slagkrachtige ombudsdiensten, de evaluatie van de gestandaardiseerde vragenlijst om iemands solvabiliteit te controleren, de optimalisatie van de kredietcentrale eerder dan deze uit te breiden, enz.

Het platform “Dag Zonder Krediet” Krediet wil dit jaar hiernaast ook opnieuw het brede publiek waarschuwen tegen de (financiële) gevaren van aanbiedingen die “te mooi zijn om waar te zijn”. Op zaterdag 26 november 2016 (11 tot 17 uur) vindt daarom een grote publieksactie plaats in de Nieuwstraat te Brussel.

Voor meer informatie over het Platform “Dag Zonder Krediet”, haar aanbevelingen en de actie die dit jaar doorgaat te Brussel, surf naar www.dagzonderkrediet.be.


Hof van Cassatie bevestigt niet-kwijtscheldbaarheid penale boetes in dossiers CSR

Schuldbemiddelaars die een dossier CSR willen opstarten vragen zich af of dit nog wel zinvol is als de schuldenlast van de betrokken schuldenaar voor een groot deel uit penale boetes bestaat. Ook nadat een schuldenaar met een dergelijke schuldenlast tot de collectieve schuldenregeling werd toegelaten, rijzen er heel wat vragen over de kwijtscheldbaarheid van de penale boetes. Artikel 464/1, § 8, vijfde lid van het Wetboek van Strafvordering bepaalt op heden immers dat de kwijtschelding of vermindering van de straffen in het raam van een collectieve insolventieprocedure of burgerlijke beslagprocedure enkel kan worden toegestaan “met toepassing van de artikelen 110 en 111 Grondwet”. Concreet: men kan hiervoor enkel nog kwijtschelding verkrijgen via een genademaatregel. De rechtspraak was sterk verdeeld over de impact van deze bepaling op dossiers collectieve schuldenregeling. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat het Hof van Cassatie zich hier uiteindelijk over heeft uitgesproken. In een (karig gemotiveerd) arrest van 21 november 2016 besluit dit Hof het volgende: “De rechter van de collectieve schuldenregeling kan bijgevolg aan de schuldenaar geen kwijtschelding verlenen voor schulden die het gevolg zijn van een veroordeling tot zulke [lees: penale] boete”. Merk op dat deze niet-kwijtscheldbaarheid ook geldt voor andere insolventieprocedures (bv. een faillissementsprocedure). Vanuit Dyzo ontving het VCS in dit verband onlangs het signaal dat de overheid oordeelt dat de verschoonbaarheid geen betrekking kan hebben op penale boetes. Lees het integrale arrest van het Hof van Cassatie van 21 november 2016 hier (pdf, 271 KB).